Frankrijk

Le Pays Cathare – losse flarden uit het logboek

Frankrijk, Montségur -

Zondag 23.6, Antwerpen. De trein staat klaar. Bestemming Charleroi-Sud. Het is een dubbeldekker. Ik neem plaats op de bovenste verdieping. Hoger. Beter zicht. Best wel zenuwachtig. Beetje moe, trillend. Ik moest ook perse aan teveel wijn gisteren en maar dansen. Die zelfsabotage is mislukt. Ik ga. Ik ga. Ik ga! Run, Forrest, run. Ik word beleefd doch dringend uit de 1e klasse gedonderd. Had ik even niet in de gaten. Ik dacht al: “Hoe comfortabel die trein, en leeg”. Ik verkas naar de wagon voor de fietsers. Een groepje naast me heeft het over hun trektocht. Ik hoor fjorden, kettingen langs het pad om te stijgen. Klinkt iets heftiger dan mijn etappes. Ik vermoed Noorwegen of IJsland.Ze stappen uit in Brussel-Zuid. Met niets dan kleine rugzakjes. Bagage met de bezemwagen?

Zondag 23.6, 15.30. Vliegtuig. Op de Ryanairvlucht naar Carcassonne. Stoel 15C. Naast me een lichtjes snurkende man en aan het raampje, 15A, zijn vrouw. Tenminste, dat vermoed ik. De laadruimtes boven de stoelen zijn reclamepanelen. Voor peren uit Zuid-Tirol, appels uit Val Venosta. Op de rugleuning van de stoel voor me vind ik naast de safety information ook een advertentie. De mijne voor de verse sandwiches van The Getaway Café hier aan boord. Bij buurman voor cadeaus en cosmetica. Bij zijn vrouw – vermoed ik – voor de warme snacks. Frietjes, cheeseburger, pizza en hot dog. Zo’n 30 cm voor haar neus. Ik overdrijf. Het zijn er 40. Door de luidsprekers weerklinkt nog meer lekkers in de aanbieding. Cocktails – cosmopolitans, caiprinhas. De bloody Mary ontbreekt in het rijtje. Slimme zet van de marketeers. Bloed en vliegtuigen gaan niet samen. Ondertussen gooien ze het alweer over een andere boeg. Krasloten. Even krassen en kans op miljoenen euro’s! Wie nu nog niet watertandt, wordt allicht verleid door de snoepkar. Suiker, suiker, suiker in alle kleuren en geuren. Ik heb een vlucht geboekt in een vliegend casino. Om het plaatje compleet te maken komt de charmante stewardess in blauwgeel even zwaaien met elektrische sigaretten. Speciaal voor aan boord. Geen tabak, geen rook, geen…Wat? Sorry hoor, maar een peuk is een peuk is een peuk. Daar horen tabak bij, en rook, gele tanden, bruine vingers en zwarte longen. Een als sigaret vermomde nicotinepleister is voor watjes. Voor The Getaway Effect. In het vliegend casino.

Maandag 24.6, Carcasonne. Qi qong bij het tentje. Spieren losgooien en opwarmen. Van de Camping de la Cité tot aan het station, langs de sluizen van de Canal du Midi, zit het eerste volle uur met de rugzak erop. Hij leunt goed op de heupen. Het is nog wat klooien met de riemen. Dan vind ik het weer te strak, dan zit hij weer te los en gaat hij waggelen. Het is duidelijk dat we elkaar niet meer gewend zijn. Maar het voelt goed. 14 kilo is haalbaar. Althans, voor dit eerste uur. Tijdens de volgende dagen zal blijken hoe sterk, of slap, ik ben. Zullen er blaren komen? Verzuurde spieren? Het is afwachten. En waakzaam blijven. Volledig ontspannen ben ik nog niet. Er is een constante denker en observator in mijn hoofd. Die wil alles analyseren. Zou ik daar zitten of hier blijven staan? Zou ik daar een appel kopen of hier een banaan? Is het mijn perfectionist? Wat voor een ‘ik’ is deze persona? Niet mijn zwerver. Mijn zwerver zat zojuist in de stationshal op de grond haar broekspijpen in te korten met een naald en stukje draad. Dit maalt niet om een bankje of stuk fruit. Die doet wat moet en doet dat goed. De trein staat klaar op perron A. Bestemming Quillan. Reistijd 1 uur, kostprijs 1 euro.

Dinsdag 25.6, Quillan-Puivert. De eerste stapdag is aangebroken. Ik word vroeg wakker na een onrustige nacht. Ik droomde van een man die mijn tent openrits en me bij mijn nekvel wil grijpen. Het voelde levensecht. Ik schiet wakker, maar er was niemand. Zelfs geen vogels die fluiten. De klok leest 3.45 uur. Veel te vroeg. Ik kom uiteindelijk rond 6.45 uur op gang. Douchen, peukje, stapkleren kiezen. Strekken, qi qong. Om 8 uur begint het grote avontuur. Het gaat al snel bergop en wanneer ik Guinoles bereik – met een slakkengang – begint het me te dagen dat ik deze etappe nooit haal in de vooropgestelde 6 uren. Niet met ongeoefende benen en deze veel te zware rugzak. In het bos achter Guinoles raak ik het spoor al bijster. Een fluo oranje kruis op de grond brengt me in de war. Ik moest alleen blauw/geel volgen en deze fluo markering op de weg doet me twijfelen. Een kruis is toch ‘don’t go there’? Toch volg ik fluo en het pad wordt al snel een steile afdaling in een richel. Dit lijkt me geen wandelpad, eerder een route voor mountain bikes. Ik twijfel. Ik keer op mijn stappen terug en besluit toch de andere richting te gaan. Wanneer er na een hele poos nog geen blauw/geel verschijnt, steekt de twijfel weer op. Het is een hele klim. Ik laat de rugzak achter en ga zonder ballast op verkenning. Wanneer verderop het pad splitst en geen van de twee paden gemarkeerd is, hak ik de knoop door. Fluo was goed. Slecht aangeduid en verwarrend, dat wel. Deze omweg kost me toch al gauw een uur. Na een steile afdaling volgt een – zo lijkt het tenminste – nog steilere klim. Steeds op keien, vaak langs een afgrond. Het ademen valt me zwaar. Mijn voeten beginnen te zeuren. Ik denk aan de trektocht in Tibet. De uitputting, het testen van het doorzettingsvermogen. Wanneer ik na 5 uur eindelijk Coudons bereik, ben ik slechts 7 km gevorderd op deze etappe van 20 km. Zo kan het niet. Ik besluit te liften naar Nebias en daar te bekijken hoe het verder moet. Het lijkt wel – voor zover ik de stafkaart kan lezen – dat het stuk Nebias-Puivert eerder langs glooiende heuvels gaat, niet meer over een col. De eerste auto die Coudons passeert neemt me mee naar een parkeerplaats op de ‘grote baan’. Ik lift tot Nebias en hak nog eens een knoop door. Ik ben ondertussen wat uitgerust en waag het erop de laatste 6 km te voet af te leggen. Het is aangenaam wandelen en het voelt geweldig om eindelijk de ruïne van Puivert in de verte te zien. Het is nog even afzien omdat de Sentier Cathare langs de burcht gaat, boven op de berg, en niet meteen afdaalt naar het dorp. Bij het dorp ontmoet ik twee Nederlanders. Ze stappen mee naar de camping. We raken aan de praat over wandelen, reizen. Ik neem een plek met zich op het meer en de burcht. Ze nodigen me uit voor een glaasje wijn met hapjes. Het doet deugd even te zitten op een stoel. Na een douche en het halveren van mijn rantsoen ga ik nog even het dorp in. Puivert is het dorp waar ik tien jaar geleden A & W ontmoette. We maakten toen kamp in de overdekte hal bij de bar tabac. De hal is er nog steeds. W niet meer, helaas. Ik weet nog niet hoe ik verder ga reizen. De eerste stapdag was zwaar. Ik zal voelen wat mijn lichaam morgen wil. Dan moet ik misschien mijn trots opzij zetten en kamp maken in Montségur. Dagtochten van daaruit zonder bepakking zijn misschien meer leeftijdsadequaat en ontspannend. Wat moet ik nou helemaal bewijzen?

Woensdag, 26.6, Puivert. Rustige nacht gehad. Gisteren bij het inslapen voelden mijn voeten nog zwaar en vermoeid. Ik heb veel van ze geëist die eerste dag. Ik besluit nog een dag te blijven en de hele tocht te herzien. Zo’n lange stapdagen langs dorpjes waar geen eten te scoren valt zijn niet haalbaar. Tenminste, ik zie het niet zitten. Van Puivert naar Montségur zijn drie stapdagen zonder winkels en rantsoen voor drie dagen erbij maakt de rugzak helemaal te zwaar. Ik maak het mezelf gemakkelijk en zal liften naar Lavelanet. Via een andere wandelroute en een stuk GR7 raak ik op één dag – zo hoop ik – in Montségur. Op de kaart lijkt het haalbaar. Vandaag laat ik die zorgen voor morgen los. Ik lig bij het meertje te lezen, mensen kijken, schrijven, tekenen. Beetje niksen. En geniet van de ontspanning. Vanavond ga ik buurten bij de Nederlanders uit Nijmegen die ik gisteren heb ontmoet. Ik haal een wijntje bij de kruidenier en we heffen samen het glas.

Woensdag, 26.6, Puivert. ’s Avonds. De avond bij de buren ontaardde al snel in verhalen delen over reizen en dromen. Ik vertel mijn droom. Over hoe ik als Theroux, Büch, Palin, … al reizend wil werken. Klanten vinden voor de verhalen die ik schrijf over de avonturen die ik beleef. Henk maakt de opmerking hoe het wel Theroux’ huwelijk heeft gekost, al die wanderlust. Stof tot nadenken. En toch…mijn leven is geen bushalte, mijn leven is geen bushalte, mijn leven is geen bushalte. Zucht.

Donderdag, 27.6, Puivert-Montségur. Ik lift tot Belista, haal nog meer pleisters bij de apotheek en lift verder tot Lavelanet. Na vier uur stappen bereik ik Montségur, het doel van de reis. Bij de kruising van de GR7 en GR7bis op het plateau zie ik de steile ‘poch’ met de burcht in al haar glorie. Wow. Kicken! Niet te zwaar, hoewel de blaren steeds venijniger van zich laten horen. De huid rond mijn linkerhiel is weg. Mijn linkerschoen is net iets te groot. Maar wat een mooie etappe. Ik heb er zin in. Het is even spannend wanneer ik door een kudde koeien moet. Ze staan alle 20, met wat kalfjes erbij, midden op het pad. Rechts en links een hoop modder, plassen en koeievlaaien. Dat is geen optie. Zij moeten wijken. Stap voor stap nader ik de dieren. Ik zeg “chouchou!”, “laissez passer” en nog wat koeietaal. “I come in peace”. Ze zijn evengoed op hun hoede als ik. Maar ze wijken en geven mij het pad.

Donderdag, 27.6, Montségur. Aankomst in Montségur. Ik begeef me naar de snackbar die gelukkig ook een koel pintje heeft staan. Heineken? Ik dacht het niet. Een Kronenbourg dan maar. Dat doet deugd. Ik klink op de kleine overwinning. Ik wilde te voet Montségur bereiken en het is me gelukt. Ik raak aan de praat met het plaatselijk ontvangstcomité in de vorm van een dikbuikige goeierd van rond de zestig, schat ik. Alain. Hij nodigt me uit aan de gastvrije grote tafel voor het avondmaal. Wanneer ik terugkeer naar het tentje, wordt het kampeerveldje bewaakt door het Vreemdelingenlegioen. Ik raak aan de praat met een gewapende khaki. Ze zijn op oefening. Een beetje een vreemd zicht hier in dit kleine dorpje, maar goed. Het heeft wel iets, een rij soldaten – full combat – slapend op de grond onder een zeiltje. Naast mijn tent.

Vrijdag, 28.6, Montségur. Ik word wakker door het rumoer van de soldaten. 7 uur. Te vroeg, terug naar bed. In de namiddag beklim ik de berg naar de ruïne. Het is een prachtig uitzicht. ’s Avonds gaat het regenen. Eerst zachtjes, dan hardnekkig. Er is niemand meer te bespeuren in het dorp. Iedereen binnen. Bij het huis van Alain, een andere Alain – zijn het hier allemaal Alains? – is er teken van leven. Ik wordt uitgenodigd voor de aperitief en later eten we samen in de auberge de beroemde cassoulet. Alain toont het de ‘point de vue’ aan het einde van het dorp. Mooie plek. Er hangen mysterieuze wolken tussen de bergen.

Zaterdag, 29.6. Montségur-Gorges de la Frau. De bergen rond het dorp zijn verhuld in dikke, opstijgende mistige wolken. De geplande tocht naar een hoger gelegen grot gaat niet door. Je ziet er geen steek voor ogen door de mist. Ik besluit er alleen op uit te trekken naar de Gorges de la Frau. Het gaat eerst nog makkelijk, lichtjes stijgend door het bos. Dan moet ik zo’n 200 meter over een muur van rotsen. Ik moet goed grijpen en twee keer voelen voor ik mijn voeten neerzet. De kleine stenen liggen los en het is hier erg steil. Dit was een stuk etappe wat ik – volgens de planning thuis – met de rugzak zou gedaan hebben. Ik dacht het niet. Mijn hoogtevrees belt aan. Ik doe niet open. Met een bang hartje, slappe knietjes en een adrenalistoot doorkruis ik dit moeilijke stuk. Daarna gaat het bergaf door het bos. Het pad is één grote modderpoel door de vele kuddes en mountain bikes die hier passeerden. De lenteregens zijn nog maar net gestopt en de zon bereikt dit dichtbeboste pad niet. De plassen en de modder blijven nog wel even het wandelen moeilijk maken. Ik ga de gorges in tot voorbij de Pas de l’Ours, volg nog enkele bochten en besluit dan terug te keren. Ik wil liften naar het dorp en als ik te lang wacht is hier geen wandelaar meer te bespeuren. Ik heb geluk. Bij de parking stappen net twee wandelaars hun auto in. Ze moeten langs Montségur. Ik heb vijf uur gestapt en ben erg blij dat ik de rugzak niet moest dragen.

Maandag, 1.7. Montségur. Ik sta op om 4.30 uur en ga in het donker met een hoofdlampje het pad op. Om 5.45 uur bereik ik de top van de berg, vind al gauw een plekje naar het oosten en ga zitten naast de burcht. Ik kom voor het stille spektakel van de zonsopgang. Een roze-paarse gloed over de bergen. Niets dan zacht gestjirp van vogels in de bomen. Het zachte gerinkel van de koeienbellen helemaal aan de overkant van de vallei. Roze wordt oranje. Wolkenflarden lichten op in felle kleuren. En daar is ze. Een vuurrode bal verschijnt langzaam aan de horizon. En boven de ruïne nog een sikkel maan. Dit is wondermooi. Om stil van te worden. Een prachtig afscheid van een prachtige herinnering. Montségur, het gevoel van vrienden voor het leven. Brood en wijn delen met de toevallige passant. Ik keer terug naar het dorp met een glimlach in het hart. De ‘mur de clochet’ doet haar werk om 7 uur. Langzaam breek ik mijn kampje op. Alles weer netjes op zijn plaats in de rugzak. Ik krijg een lift naar Mirepoix. De markt, het geroezemoes van de terrasjes. Lekker eten. De messenslijper ontfermt zich over mijn mes. Ik vind een leren riempje voor het juweel – een Katharenkruis, mijn aandenken aan deze streek. Om nooit te vergeten van de inquisitie, de brandstapels, de littekens van le Pays Cathare.

Dinsdag, 2.07. Mirepoix. Beetje trieste camping zo naast het stadion bij de grote weg. Net nu, enkele dagen voor het hoogseizoen, besluit de gemeente om de toegangsweg naar het stadion af te schrapen en van een nieuwe asfaltlaag te voorzien. Om 8 uur begint het gehakketak van de graafmachines. Het deert me niet. Ik ben vroeg op. Meestal hier. De tent is nog nat van het onweer gisteren. De grijze lucht trekt open. Het wordt aangenaam warm met een zacht briesje. Ik wandel door de bossen en velden rond Mirepoix. De blein laat niet meer van zich horen. De paden zijn behoorlijk toegetakeld door het vee en de regen. Het is met momenten uitkijken om niet enkeldiep in de modder te belanden. Al bij al een mooie, deugddoende wandeling. Veel wilde bloemen en plantjes langs het pad. Eén lied komt steeds in me op tijdens het stappen. Het is een Brel. “Y en a qui ont le coeur si large qu’on y entre sans frapper. Y en a qui ont le coeur si large qu’on n’en voit que la moitié. Y en a qui ont le coeur si frêle qu’on le briserait du doigt. Y en a qui ont le coeur trop frêle pour vivre comme toi et moi…”. Ik blijf het herhalen als een mantra. Wolken pakken zich samen. De wind steekt op. De hemel wordt donker, ik steeds lichter.

Paris

Frankrijk, Parijs -

L’église d’Auvers-sur-Oise, vue du chevet. 1890. Vincent Van Gogh. Nu weet ik het dus. Ontelbare keren heb ik als kind naar dit werk gekeken, zonder te weten wat of van wie het was. Een reproductie van het schilderij hing in de slaapkamer die ooit van mijn moeder was en die oma later gebruikte als logeerkamer. Het was het laatste was je zag vooraleer het nachtlampje onverbiddelijk plaats moest maken voor het spookachtige maanlicht door de donkerblauwe gordijnen. Jarenlang heeft dit beeld deel uitgemaakt van mijn kindertijd. Het is onlosmakelijk verbonden met herinneringen aan een lange tuin, heerlijke wafels en een bad gevuld met op de kolenkachel verwarmd regenwater. En nu, jaren en wafels later, kom ik geheel onverwacht oog in oog te staan met het originele doek. Hier in Parijs, in het prachtige Musée d’Orsay. Ik ben even terug bij oma thuis.

In de Rue Saint Dominique branden boven ons ontelbare witte lampjes, getuigen van een Kerst niet lang voorbij. Ook de sfeervolle neonreclames van de oude kroegen en restaurants dragen bij tot de idylle. Maar ze kunnen niet op tegen de reus die zich stukje bij beetje prijsgeeft. Na elke bocht van het straatje zie je meer en meer van de Eiffeltoren. Totdat je uiteindelijk op het grote plein komt te staan en nederig opkijkt naar deze mastodont. Wat een bouwwerk!

We beklimmen de steile straatjes en trappen doorheen Monmartre om te belanden bovenop de “butte” aan de bronzen poorten van de Sacré Coeur. We betreden de basiliek en komen terecht in wat heel goed zou kunnen doorgaan voor een openingsscène van een religieuze thriller, een soort Da Vince Code maar dan met boosaardige nonnen. Doorheen de hele kerk galmen de zware donkere tonen van het gezang van de zusters. Het licht is gedempt en de kaarsen maken grillige schaduwen in de duistere spelonken. Stilletjes schuifelen mensen rond het altaar en torenhoog boven ons in de donkerblauwe koepel spreidt een reusachtige Jezus zijn gouden armen. Hier worden duivels getemd, hier worden duistere plannen gesmeed. Het geheim blijft binnen de loodzware bronzen poorten en de diepe stemmen van het koor sleuren je mee in een trance. We glippen de zijdeur uit en ontsnappen aan een zekere dood. Tijd voor een verfrissing!

De terrasjes van Parijs worden lekker verwarmd. Daar moet je zijn. Je wilt de mensenstoet voorbij zien flaneren. Je wilt een sigaret bij je belachelijk dure wijn. Een biertje is iets goedkoper, maar gaat met 4 euro per glas ook al gauw doortellen. Lekker tafelen daarentegen hoeft niet duur te zijn. Best lekker. Een glimlach van de ober is niet inbegrepen in de prijs. En waarom ik steeds in het Engels wordt aangesproken nadat ik in keurig Frans heb besteld is me een raadsel. De globalisering allicht?

We kuieren langs de oevers van de Seine, passeren de Notre Dame met Quasimodo in gedachten. En dan is het tijd voor de moeder der musea, de tempel van de kunst, het Louvre. We gaan voor de Lage Landen en vinden parels van Vermeer en Rembrandt. We schrijden koninklijk door de inboedel van Napoleon en eindigen tenslotte daar waar het kennelijk allemaal om draait: La Giocanda, de Mona Lisa van da Vinci, de geheimzinnig glimlachende deerne wiens ogen je niet loslaten. Achter een afbakening van paaltjes en riemen, achter een houten ballustrade, achter kogelvrij glas onder het wakende oog van big brother hangt in een veel te grote zaal een nietig doekje verf. De ogen van de suppoost laten me niet los, maar haar glimlach is ver zoek. Tijd voor een verfrissing! We duiken heel even het nachtleven in aan de toog van een donkere jazzkroeg. Zes drankjes en 60 Euro later houden we het voor bekeken. De laatste metro willen we niet missen en een bruine kroeg is niet bruin zonder peuken.

Het leuke aan doelloos slenteren zijn de onverwachte pareltjes die op je pad komen. We wandelen van het Centre Pompidou langs mooie, onbetaalbare winkeltjes. Op de stoep staat een klein bordje met een pijl en een tekst. Iets over expo en recyclage. Wij naar binnen. Het is kunst uit recyclage. Houten beeldjes uit wrakhout, mooie vormen met plastic flacons. Ik koop een cataloog: een rechthoekig sardienenblikje met een lipje. Als ik het ooit openmaak zal ik kleine kaartjes vinden met daarop wat uitleg over de kunstenaar en een afbeelding van het kunstwerk. Ik laat het dicht. Ooit, vele jaren en wafels later, zal het een zoete herinnering aan de lichtstad worden.

Crêpe Gigi

Frankrijk, Mont St.-Michel -

We zijn een dwerg tussen de reuzen. Zelfs met het opklapdakje uit, reiken we nog niet tot aan het trapje van de megacampers hier naast ons op de staanplaats in Dieppe. Stuk voor stuk logge, designloze leefcontainers op wielen. Met satellietschotel. De trotse mannelijke eigenaars gaan op en neer hun rondje langs de soortgenoten. Hebt u ook de Dump-a-Lump chemische toilet? De 30l of meteen maar de 50l? Zo wisselen ze alle weetjes uit over de nieuwste hoogtechnologische snufjes die deze reissport schijnt te vereisen. De vrouwen ondertussen, allemaal gekleed in lycra joggings, maken een ommetje met de hond. Er is een wet in de camperwereld: hoe groter de camper, hoe kleiner de hond. Ze passeren ons en knikken vriendelijk. Een uitwisseling van weetjes is duidelijk niet aan de orde. Onze lowtech microbus behoeft geen verdere uitleg. Wanneer we later langs de smalle bochtige weggetjes van het Normandische plattelandrondtoeren, ben ik maar wat blij dat het busje niet groter is. Het is krap met een tegenligger op de rijweg.

Als kind was ik ooit al in Normandië. Ik kon me nog de krijtrotsen van Etretat herinneren. En een dame die, op een bontjas na, poedelnaakt op het strand van het mondaine Deauville lag te zonnen in een ligstoel met naast zich een fles champagne en een man in driedelig pak, in die volgorde. Het strand ligt er dit keer verlaten bij. De wind glijdt langs het zand met in haar kielzog een sliert van korrels, een zwevend zandtapijt. Keesie kiest voor mij de de mooiste schelp.

Ik kon me ook het kerkhof herinneren waar de Amerikaanse soldaten begraven liggen. Ondertussen weet ik al iets meer over de oorlog, heb ik al de nodige oorlogsfilms en documentaires gezien en begrijp ik iets beter hoe het er toen aan toe moet zijn gegaan. De begraafplaats blijft toch indruk op me maken. Hier en daar lopen mensen tussen de kruisjes op zoek naar een ver familielid, de oorlogsheld. Dat ze er ooit in geslaagd zijn om al die lichamen te bergen, iedereen in de juiste put, moet op zich al een hele operatie geweest zijn. Als je de oorlogsfilms mag geloven, was het meer een hoop opgeblazen lichaamsdelen. Met de kunst maken ze er weer een romantisch heldendicht van. En ‘s avonds zorgt de horizon voor de nodige poëzie.

We reizen tot de grens met Bretagne en doen ook de Mont St.-Michel aan. De parking die nog open is, zal over enkele uren zijn opgeslokt door het zeewater. Morgen terugkomen is de boodschap. De rots is een toeristenmagneet. De winkels schreeuwen het uit met hun made-in-China-souvenirs. We volgen de kudde die leidt naar de abdij. Het is de moeite waard.

Wanneer we het natuurschoon achter ons moeten laten, de flessen Calvados en Bénédictine in de kofferbak, steken we nog één keer de beentjes onder tafel en bestellen aan het strand van Duinkerken wat ons de hele tocht al achtervolgt: Crêpe Gigi. Pannekoeken met vanilleijs, amandelschijfjes en karamelsaus. Een lekkere afsluiter van een Normandische tiendaagse per microbus.