IJsland

Kroonjuweel

IJsland, Reykjavik -

Eigenlijk wilden we terug naar Mongolië. We droomden over motorrijden door de eindeloze steppe, tabak snuiven met de locals en vodkarituelen in het Mongoolse maanlicht. Die droom ging lichtjes aan diggelen bij het opvragen van de prijzen voor vliegtuigtickets – 2000 Euro per persoon. En dan moesten we nog Chinese sleurbakken kopen. Niet dus. Even dwaalden onze reisgedachten naar een roadtrip door het westen van de VS, maar ook een retourtje Las Vegas bleek ons budget al snel te zullen kelderen. We gingen grasduinen door de atlas en lieten onze gedachten nogmaals de vrije loop. Ik had ooit over IJsland gevlogen op weg naar New York en kon me herinneren dat ik dat toen heel spectaculair had gevonden. Waarom niet IJsland?, opperde ik en het is zo dat we enkele dagen later met onze rugzakken in het land van vuur en ijs zijn beland.

Voor 250 Euro heb je een buspas op zak die je toelaat in één richting rond het eiland te reizen. Je stapt op en af waar je wil. We beginnen met een verkenning van Reykjavik: slenteren door de winkelstraten, kunstminnen in de musea, dobberen in de baai op zoek naar walvissen en een eerste etentje waarna het gelijk richting Bonus supermarkt gaat op zoek naar een goedkope voedselvoorraad. Bier of wijn vind je er niet, daarvoor moet je naar de “vinbud”, de staatswinkel met het monopolie op de alcoholverkoop. IJslanders gaan in het weekend massaal hun karretjes vullen in de vinbud, hokken samen in elkaars huis, nuttigen een overdaad aan schnaps en bier om vervolgens laveloos een uurtje of wat in een prijzige bar hun kostbare Kronen neer te tellen. In deze kroegen wordt met behulp van zwarte rolgordijnen een nachtelijk sfeertje geschapen. Het wordt hier in juli namelijk nooit donker. Rond een uur of twee ’s morgens begint het ietwat te schemeren om om vijf uur alweer plaats te ruimen voor het zonlicht. Bizar.

Onze eerste bestemming wordt Landmannalaugar, waar het Laugavegurpad je 55 km verderop naar Thorsmork brengt. De trek duurt vier dagen. In regenpak vertrekken we in een lichte motregen met een veel te zware rugzak. Even later gaat het echt regenen, nog wat later valt het met bakken uit de hemel die ook nog wat fikse rukwinden op ons afstuurt. Na drie uur stappen zwemmen mijn tenen in mijn botten, kondigen de eerste blaren zich al aan en is mijn regenpak die naam niet meer waardig. We besluiten terug te keren. Het wordt een minitrek. Gelukkig is er bij Landmannalaugar een heerlijke warmwaterbron waar we onze doorweekte lijven troosten in het sulfursapje. De stank van rotte eieren neem je er op zo’n moment graag bij.

De volgende halte houden we bij Skaftafell National Park. De weergoden zijn ons ditmaal goedgezind en we wandelen droog en zonder rugzak langs de paadjes van het park. We zien onze eerste gletsjer en de Svartifoss waterval met haar bizarre rotsformaties, de “blokkendoos”. Op weg naar Höfn passeren we het mysterieuze blauwe ijsmeer van Jökulsárlon. Blauwe en zwarte ijsklompen drijven haast roerloos op het blauwe water. Je waant jezelf aan de Noordpool (nou ja waan, het is dan ook om de hoek). We nemen een bootje naar Papey Island waar we de beruchte papegaaiduikers van heel dichtbij kunnen observeren. De “puffins” zijn één van de symbolen van IJsland, en dan vooral van de IJslandse toeristenindustrie. Geen winkeltje of je vindt er een puffin-sleutelhanger, een puffin-frigomagneet of een puffin-muffin. Maar het zijn wel mooie diertjes, dat moet ik toegeven. Op onze terugtocht liggen er op het dek in een net een twintigtal puffinlijkjes. Blijkbaar worden die geserveerd in het plaatselijke restaurant.

Met de regelmaat van de klok bevinden we ons aan een bushalte en doen zo al de natuurfenomen aan: warmwaterbronnen, geisers, gletsjers en watervallen. De dorpjes liggen er een beetje troosteloos bij. De prefabhuisjes stralen van de grauwheid en het culturele leven lijkt zich te centreren rond de Esso-shops waar de alomtegenwoordige hotdog het gespreksthema van de dag is. Die eet je comme il faut met “alles erop”: gebakken uitjes, rauwe uitjes en niet minder dan drie sauzen. When in Rome… Vanuit het noorden nemen we de busroute die door het woestere binnenland gaat. De bus staat wel hoog op zijn poten en na het doorkruisen van enkele rivieren zijn we daar heel dankbaar voor. De bus lijkt te gaan kantelen maar de chauffeur glimlacht met een koelbloedigheid een Viking waardig en trotseert zonder schroom de elementen. Het binnenland lijkt wel één groot lavaveld. Geen bosje of struik te bespeuren, het is al zwart stof en kraters wat ons omringt.

Een van de hoogtepunten van de reis wordt het gebied van Thorsmork. Steile paadjes brengen ons in een groener dan groen landschap van grillige rotsen, dampende geisergaten en een horizon vol gletsjer. Het lijkt wel iets uit Lord of the Ring. En dan gaat het terug richting Reykjavik waar we ons een laatste keer tegoed doen aan het fenomeen van de warmwaterbron. Al is de Blue Lagoon aangelegd, het blijft toch heerlijk dobberen in het warme water, stomen in een grot en bakken in de sauna. We slapen nog een laatste keer in ons kleine tenthuisje in een nacht die nooit nacht wordt en tellen stilaan af naar het begin van een nieuwe werkweek, ergens ver weg in september, ver weg op het vasteland.