Nederland

Zuiderzee

Nederland, Amsterdam -

Ik zou terug naar Mongolië gaan. Een foute inschatting van het aantal vrije dagen en een juiste inschatting van de reisduur en -kosten hebben dat plan echter in de emmerlijst gekegeld. Waarheen dan? Terug naar Montségur? De Katharen trekken me, maar ik was er nog maar pas. Een zonnige all-in – boekje bij het zwembad, zwembad bij de bar – is goed voor heel kort, maar niet voor twee weken. Waarheen dan? Mijn oog valt op de Kungsleden in het hoge noorden (het Koningspad), maar ook op de vele hardnekkige muggen die onvermijdelijk reisgenoot zullen zijn. En ik bedenk dat je voor zo’n tocht toch liever wat meer tijd uittrekt. Dat avontuur kegel ik dus ook maar in de emmerlijst. Waarheen dan? Ik spring sinds april ongeveer elke week op het zadel van mijn Batavus. Die tochtjes werden geleidelijk aan langer, tot ze voelden als kleine reisjes. Fietsen dan maar? Twee weken is voldoende en fietsen is niet duur. De kogel is door de kerk. Maar waarheen dan? Mijn stadsfiets is wel stoer, maar met slechts drie versnellingen en een stalen frame zit je in de Ardennen al gauw te duwen en te puffen. Dat wordt niet leuk. Ik richt mijn blik naar het noordoosten – Nederland, fietsland. En woont daar geen Nienke, met een heuse trekkingfiets? Even Warder bellen. Een telefoontje en duizend danku’s later laad ik in Edam de waterdichte tassen op Nienke’s VSF Fahrrad Manufaktur TX1000 met Rohloff-naaf. De heuse. Het is even wennen met die tassen op het voorwiel, het harde smalle zadel tussen de benen. Rohloff maakt alles goed. Veertien menuutjes om tussen te schakelen. Voor elk hellingkje, elke daling de perfecte stand. Dit is fietsnirwana… maar geen zonnige all-in. Dag één krijg ik meteen de proef op de som. Het begint te regenen in Edam, te gieten bij Hoorn en het gaat zo door in overtreffende trap tot in Enkhuizen. Mijn nieuwe fietsjas doorstaat de test. Ook de fietstassen van Vaude laten niets te wensen over. Mijn dijbenen zijn nat, de rest van de benen houdt het redelijk droog. Mijn verschrompelde witten tenen, echter, zwemmen in sokken die drijven in schoenen. Maar dat wist ik. Ik heb gekozen niet te investeren in waterdicht (bestaat zoiets?) fietsschoeisel, maar mijn gewone leren schoenen aan te doen. Als reserve heb ik Teva sandalen bij. Gelukkig logeer ik de eerste dag bij Jet en Jos in Enkhuizen. Vrienden met een warme kachel en oude kranten. Jet en ik halen herinneringen op aan onze Mongoliëreis. Jos, gepassioneerd historicus, maakt me warm voor de route met historische anekdotes over oudste kerkjes en jongste legendes. Etappe één van de Zuiderzeeroute zit erop. Edam-Enkhuizen. 2u15. 36,6 km.

Op dag twee maak ik voor het eerst kennis met de kampeerplekken van Staatsbosbeheer. Ik zet mijn tentje op kampeerterrein Wieringerrand in het Robbenoordbos en maak van de knusse vuurhut mijn keuken en lounge. Bij het slapen gaan vind ik een teek in mijn been. Later deze tocht lees ik op een affiche dat 25% van de teken Lyme Disease veroorzaken. En neen, je krijgt niet altijd die rode cirkel als symptoom van een infectie. De beet is minimaal, verdwijnt na een dag. Ik maak geen koorts en me geen zorgen. Enkhuizen-Robbenoordbos. 5u30. 36 km.

Dag drie is de dag van de Afsluitdijk. Hier had ik naar uitgekeken met evenveel verwondering als kopzorgen. Hoe zou het zijn om ruim dertig kilometer over het water te fietsen? Eén lange rechte flap asfalt zonder schuilplek. Gaat het waaien? Het is een zonnige dag, een zuchtje zijwind in de kuiten. Rechts van mij het IJsselmeer, links van mij zicht op een dijk. Alleen wanneer ik halte hou en de dijk beklim, of bij de monumenten en het halfwegpunt bezoek krijg ik zicht op het hele plaatje. 32 kilometer rechtdoor, met uitzondering van de knik op het einde, is lang. Er komt geen eind aan. Ik ben blij wanneer ik op Friese bodem beland. Ik maak kamp bij een zwanenmeer, een molenhorizon en een hangbuikvarkentje. Robbenoordbos-Makkum. 5u15. 38 km.

Friesland is leeg. Leeg met schapen, beken en kreken. Dorpjes worden plots steden wanneer de Elfstedentocht passie en trots aanwakkert. Niet nu. Het is al lang niet koud genoeg geweest. Aan regen geen gebrek. Bij boerin Betty van De Braamberg staat de tent aan de rand van het Rijsterbos. Het regent en waait de hele nacht. In een fietsstalling in wording vind ik een droog plekje voor de keuken. Makkum-Rijsterbos. 4u10. 28 km.

Langs schapenhekken, meanderende dijkweggetjes passeer ik het charmante Workum, Hindelopen en het vrouwtje van Stavoren, trekpleister voor de vele motards die op deze milde herfstdag de bochten opzoeken. De Friese dorpjes met hun kleine haventjes, oude boten en kasseistraatjes zijn wat je noemt pittoresk, mooi en … o zo proper en juist. Wat schuilt hier achter die gevels? Welke blikken schieten er uit die stugge ogen als je je kind niet laat dopen of ’s zondags niet te kerke gaat? In Lemmer beland ik in het Nazomeren festival. Met oude voertuigen en ambachten, traditionele kledij, een braaf streepje rock ’n roll en een slappe biertent gaat het dorp even uit de bol. Om vijf uur is het welletjes geweest met de dolle pret en moet het plein geborsteld, de beesten terug op stal en de tapkraan dicht. Welkom in Calvinistan. Ik vervolg mijn weg tot het Kuinderbos waar het in natuurcamping De Veenkuil fantastisch verblijven is. Een camping voor mij alleen. En een boswachter met een speelse fantasie. Winkelen in het bos, het is eens iets anders. Rijsterbos-Kuinderbos. 2u45. 34 km.

“Het Kuinderbos is een waar reeënparadij” lees ik in de folder van Staatsbosbeheer. Ik sta op bij het krieken van de dag en stap vol verwachting naar de kijkershut. Ik open het deurtje. Het piept en het kraakt. Een beetje ree heeft nu alvast de benen genomen, dat kan niet anders. Toch blijf ik nog een beetje zitten op het bankje als een would-be bioloog en aanschouw door het spleetje van de hut de zon die de dag begroet. Jammer, maar geen ree of ander beest. Wel veel natuurschoon, als je oog hebt voor de kleine dingen om je heen. Ik loods de fiets langs prachtige paden en dieren, een reus van een schuur, doorkruis natuurgebied De Weerribben en neemt het pont bij Genemuiden. Het is zondag en in Genemuiden, zoals in tal van andere dorpen allicht, is het kerkdag. Mensen schuifelen op hun paasbest richting Here Jezus. Een puber op een fiets heeft op het bagagerek De Bijbel vastgesnoerd. Niemand valt hier uit de boot. Wie leeft in de schaduw van de kerktoren ontsnapt niet aan de kudde. Ik besluit te gaan voor een beetje luxe – dat op een zondag, foei! – en met de hulp van het online thuisfront vind ik een pracht van een bed & breakfast, de Syrinx in IJsselmuiden, op een ark. Hele lieve mensen. Uitzicht op de skyline van Hanzestad Kampen, kingsize bed, ligbad met jetstream, sauna, lounge, terras met eendjes, een prinselijk ontbijt. Het is een welkom rustpunt voor mijn zadelkont, mijn natte tent, mijn moede lijf. Kuinderbos-Kampen. 6u. 51 km.

Of ik niet liever een dagje langer blijf voor een klein centje meer? Ik besluit in te gaan op het aanbod – ik heb tenslotte de sauna nog niet uitgebrobeerd – en kies voor een dagje Zwolle, tien minuten treinen van de woonboot. Ja, zonder fiets. Die mag ook even tot rust komen. Het is maandag en de musea zijn dicht, helaas, maar het is prettig kuieren tussen de straten waar hier en daar een vleugje art nouveau de gevels siert. Waar oud en nieuw in harmonie buren zijn. De bibliotheek is een slimme mix van koffiebar en kenniscentrum. Ik word lid en grasduin tussen de rekken. Lekker loungen met een tijdschrift over fietsreizen. Terug in Kampen gun ik mezelf de wellness van de sauna, het hangen op de bank met een boekje, de rust van een zacht wit deken op zachte witte lakens in een stille witte kamer. De gastheer laat weten dat ze ’s ochtends de deur uit zijn en dat ik gewoon de sleutel in de bus kan steken wanneer ik klaar ben om de tocht voort te zetten. Een kwestie van vertrouwen. Dat voelt goed. Kampen-Zwolle-Kampen. 0 km.

Met frisse moed en even frisse sokken sta ik klaar met mijn fietsbenen. Wanneer ik wil vertrekken besef ik dat er geen sleutel is van de voordeur. De gastheer en gastvrouw hebben me ingesloten. Ik zoek even rond in de gangbare sleutelplekken, maar vind niets. Ik bel de gastheer en tref slechts het antwoordapparaat. Wat nu? Ik probeer deuren en ramen maar die zijn of dicht of openen slechts in kipstand. Ik raap mijn moed bijeen en schuifel stap voor stap vanop het terras, langs het reigeltje, om de boot heen. Als ik nu wankel en val, dan val ik – en de fietstassen met me – in het water. Trillende benen, verstand op nul, maar het lukt. Ontsnapt! Ik laad mijn ros en vind als snel het gekende tempo. De zadelkont vindt haar draai en door een wispelturige droog-nat-droog dag in natuurschoon vind ik de weg naar natuurcamping Dasselaar bij Zeewolde. Zeewolde is een poldergemeente en de jongste gemeente van Nederland (°1984). Deze streek kent de grootste concentratie windmolenparken van het land. De buurman bij de vuurhut zorgt voor kampvuur en gezelschap. Hij en zijn hond zwerven al zeven maanden van kampeerplaats naar kampeerplaats. Hij kreeg een oude tent van de boswachter en kapt wat hout in de bossen. Hij hoopt tegen de winter een sociale woonst te vinden en een uitkering te regelen. Hij is een beetje uit het systeem gevallen. Hij deelt zijn boeiende verhalen en ik mijn proviand. Kampen-Zeewolde. 6 u. 41 km.

Het rondje Zuiderzee is bijna een cirkel. Ik zet een tandje bij omdat ik weet dat ik ’s avonds onderdak heb bij vrienden in Amstelveen. Windmolens zoemen – het is meer swoesjen, al is dat geen woord – om me heen langs de dijkpaden richting Almere. Ik nader de bebouwing, bakstenen en betonnen getuigen van een stedelijke beschaving en bedrijvigheid. Een fietsbrug loodst me terug naar straten en pleinen, langs kantoren en een ziekenhuis. En toch vind je zelfs in het gebied rond Amsterdam of Amstelveen al heel snel een lap grond, een bos of water. Hier geen lintbebouwing, geen volgepropte landschappen of smetfabriek. Het blijft een vrij rustige bedoening. Of is dat mijn geest? Het zengevoel van dagenlang fietsen. Met niets dan benen als motor en twee wielen voor het evenwicht. Zeewolde-Amstelveen. Ik ben gestopt met uren tellen. Kilometers worden relatief.

Een dag Amsterdam. Kuieren door negen straatjes. Mensen kijken. Details opnemen. De sfeer opsnuiven. En winkelen. Een t-shirt met een leuke fiets, een bladwijzer in de vorm van een fiets. Een boek over fietsreizen. Foto’s van fietsen. Het is al fiets wat me triggert. Met een hoofd vol herinneringen, het lijf zeven kilo lichter, een tasje geschenken en souvenirs gaat het via Monnickendam terug naar Edam waar trouw het busje op mij heeft gewacht.

Ik heb onderweg vaak – luidop of in mijn hoofd – de eerste zinnen van een lied beleefd. “Hoe sterk is de eenzame fietser…”. Sterk genoeg, besluit ik. Sterk genoeg om ruim vierhonderd kilometer een tiental dagen een zee rond te fietsen die niet bestaat.

~~~~~~~~~~
Zuiderzee

De Zuiderzee is ingedijkt en spoedig is ze droog
Ze hebben haar tenslotte klein gekregen
Waar eens ranke vissersscheepjes zeilden op de wind
Daar rammelt straks het Fordje langs de wegen
En waar je gisteren scholletjes en nieuwe haring vond
Brengt morgen de belastingman al dwangbevelen rond
Waar eeuwen de ansjovis heeft gedarteld en gestoeid
Daar loeien dra de lodderige koeien
Waar eens de blauwe golven wiegden met hun witte kruin
Zal binnenkort de pieterselie groeien
De mens heeft de natuur getemd
En Japik, Aaj, en Teun,
Die gaan ook knusjes stempelen voor de werkelozensteun

Zuiderzee, Zuiderzee
Oude, trouwe, blauwe zee
Je verdwijnt met je wel en wee
Met je botters en je jollen
Met je Harinkies en schollen
Neem je straks ons hart ook mee
Zuiderzee

Het zeemansgraf gaat dicht, geen scheepje zal er meer vergaan
Beschaving heeft de overhand gekregen
Geen visser zal verdrinken, hij wordt nou gevierendeeld
Op onze onbewaakte overwegen
Waar eens het lied der branding zong, vol grootse romantiek
Woont straks de orang pendak, en bedrijft daar de politiek
Waar eens de veerboot stampte naar Enkhuizen en terug
En passagiers zich naar de reling richtten
En daar hun diepste innerlijk blootlegden voor elk een
Met moedeloze zeegroene gezichten
Waar jaren voor Marconi toch de korte golf al liep
Daar sukkelt straks de eenmanstram
En heerst de Spaanse griep

Zuiderzee, Zuiderzee
Oude, trouwe, blauwe zee
Je verdwijnt met je wel en wee
Met je veerboot naar Stavoren
Waar wij ons diner verloren
Neem je straks ons hart ook mee
Zuiderzee

~ Louis Davids, 1932 ~

Kwekkeboomkroket

Nederland, Zeeland -

Hondenbazen laten hun hond uit, strandbeestenbazen laten hun strandbeest uit. Even uitwaaien met het dier bij het water. De benen strekken, de haren laten wapperen, dagdromen bij de branding. Zeeland is rust. De rust van lange lege fietspaden. Van bomenrijen rond akkers, bloemenbermen voor bijtjes en kwekkeboomkroket. He? Bah! Even drie dagen uit de kooi. Een ontsnapping per fiets uit het stadspeloton. Losrijden en uitbollen. Steeds trager. Tot je het tempo vindt van de eenzame boot die glijdt op het Veerse Meer, de stille ochtendmist die optrekt uit een koude natte akker, de diepe bas die weerklinkt uit de bamboepijpen van een windorgel. Het ministrandbeest komt tot leven uit een modelbouwdoos van Theo Jansen. Zolen aan pootjes, pootjes aan de romp, een windturbine als neus. Na twee uur puzzelen, druk in de weer ook met de obligate peukjes en koffie, is het beest klaar voor de test in het labo. Met glans geslaagd. Ook dit schepsel mag nu uit de kooi. Een ontsnapping naar zijn natuurlijke biotoop, het mulle zand bij de waterkant. Kijk het gaan! Het straalt, het lacht. De strandbeestenbazen halen opgelucht adem. Een droom van nog een beest nestelt zich stiekem in een hersenhelft van de puzzelaar. Zeeland is rust. De wakkere blik van een paard in de wei. Het kijkt naar mij. We deelden een erf, al was het maar voor even. Een nacht van bliksemschichten, rommeldonders en ruige regen. Het dak van het busje moet plat. Weergoden hebben altijd het laatste woord. ’s Ochtends vroeg komt de genade van de zon. De paden alweer zongedroogd en met de lokroep van de stranden, vergeven we de donder voor zijn hels gevloek. Zeeland is rust. Een containerreus trekt een trage streep over de Schelde en bevindt zich hier, tussen twee havens om u tegen te zeggen, in een stukje stil. Een brug, staaltje hoogtechnologie tussen het groen, buigt zich zachtjes over een horizon. Hier gaat alles schijnbaar in slow motion. De grotemensentijd heeft nooit gelijk en een eiland laat zich niet in stukken hakken door de wijzers van een klok. Het is stug en houdt vast aan zijn gewoontes. Ringrijden voor eer en beker, de molen bij het erf. En ja, de kwekkeboomkroket.

Theo’s strandbeest

Nederland, Den Haag -

Bij Strandslag 10 in Den Haag stapt een beest over het strand. Zijn vleugels vangen de wind. Hij zuigt zich de longen vol en stapt. Bij het water voelt hij nattigheid en keert behoedzaam op zijn passen terug, weg van de Noordzee. Ooit zal hij zwerven tot Kijkeind en terug. Om dan gelukkig te sterven op de ‘bone yard’ en te verworden tot fossiel. Of hij gaat het schip op, gevangen in een container, naar Japan. Daar houden ze van het beest. Van heinde en verre verzamelen dromers en grote kinderen om deze vreedzame schepsels eenzaam of in kudde van dichtbij te bewonderen. Een lange studie Technische Natuurkunde en ruim twintig jaar puzzelen en creëren brengen ons deze strandbeesten, geesteskinderen van Theo Jansen. Kunstenaar uit Scheveningen, in een vorig leven columnist voor De Volkskrant. Het beest moet terug aan de lijn, de vleugels gebonden, en het baasje gaat los tijdens een begeesterde lezing in strandcafé De Fuut. Over de anatomie van het wezen – en dan wordt het lekker technisch – maar ook over zijn filosofie, zijn dromen. Theo is een man met een passie. Een passie en een hele hoop buizen, elastieken, lege flessen, tie wraps, ringetjes en dingetjes.

Iets meer naar het noorden, in Scheveningen, vind je een hele andere fossiel. De verlaten pier wordt langzaam tot stof gemalen door de tand des tijds. Het zout en de wind vreten zich een weg naar het skelet van wat eens een glorieuze reus moet zijn geweest. Met een brand in de feestzaal aan het einde van deze houten boulevard was het lot van deze plek voorgoed bezegeld. Mistroostig wacht de pier op de genadeslag van de sloophamer. In afwachting van die dood vallen hier bungeejumpers net niet te pletter in de branding. Het elegante Kurhaus op de dijk wordt omsingeld door schreeuwende strandbars, shopping malls en softijsboeren. De nieuwe haring laat nooit lang op zich wachten.

Nog iets meer naar het noorden fietsen we richting Katwijk. De strandgasten gaan au natural de golven in en ook het landschap transformeert. Het wordt stil en eenvoudig mooi hier in het duingebied. Een beschermd stuk Nederland. Niets dan het zingen van de wind en af en toe een trilling van een fietsbel in de oorschelpen. Jong en oud, traag en snel, baant zich een weg door de duinenpracht op een fietspad als een biljartlaken.

Blij als kinderen springen we ’s ochtends door de golven van de zee. ’s Avonds – het zout nog op de huid, het zand tussen de tenen – genieten we bij koftaballetjes en een Dommelsch vaasje van een ster die slapen gaat en een planeet die de lichtregie overneemt. Alles is pais en vree. Het beest slaapt.

Ons bin blie

Nederland, Veere -

Onze slager in de straat was ook fietsenmaker. Van drie zieke fietsen maakte hij er één goede. Daar kochten mijn ouders voor een kleine honderd frank mijn kinderfietsjes. Later als student kocht ik tweedehandsfietsen bij de beschutte werkplaats aan de Kleine Markt of via De Koopjeskrant. Het is nu voor het eerst dat ik investeer in een gloednieuwe fiets. Het werd de stadsfiets Winner van Batavus. Het is een matzwarte stalen fiets met drie versnellingen in de naaf. Nog snel gekocht voor het lange weekend van Hemelvaart. We trekken vier dagen naar Zeeland, een perfecte plek voor het inrijden van een nieuwe Batavus en het smeren van een oude Gazelle (°1942).

In de VeKaBo-gids vinden we een mini-camping. Het zijn kleine campings op een veld naast de boerderij met zo’n 15 à 20 plaatsen, vaak met een haag eromheen, voor caravans of campers. Een schuur is meestal verbouwd tot sanitair blok. Het is kamperen bij de boer en erg in trek hier in Zeeland. We kiezen mini-camping Veldlust in Serooskerke op Walcheren, strategisch dicht bij Veere , Middelburg en Domburg. Molen De Jonge Johannes wordt de eindhalte van onze fietstochten. De Zeeuwen zijn een trots volkje. Overal wappert de Zeeuwse of Nederlandse vlag, te pas en te onpas. En er is de typische klederdracht als statement. Bij het zien van het Veerse Meer schiet het lied Het Veerse Gat van Jaap Fischer me te binnen. Het Veerse Gat werd gedicht in 1961 in het kader van de Deltawerken. Op enkele gevels in het stadje wordt een waterpeil met jaartal gemarkeerd. De herinnering aan de watersnood leeft voort.

In het Zeeuws Museum in Middelburg loopt een erg interessante tentoonstelling over vlas van vormgever Christien Meindertsma. Een stijlvolle documentaire brengt de levensloop van vlas in beeld, van het zaaien tot een afgewerkt product. Het museum biedt ook onderdak aan de ‘wonderkamers’, een collectie exotische trofeeën van zeevaarders en kooplieden. Van Chinese muiltjes langs Afrikaanse drums tot draakjes op sterk water. En er is de zaal met de prachtige wandtapijten met historische zeeslagen.

Op weg naar zee belanden we op een ‘fair’ in Aagtekerke. De Zeeuwse boeren doen ringrijden, ook wel ringsteken. Bedoeling is te paard, liefst een boerenwerkpaard, met een lans een ring van een stokje te halen en op je lans te steken. Een Nederlandse, Duitse en Deense folkloristische traditie. Bij Domburg zie ik voor het eerst sinds lang weer de zee. De kunstzinnige strandhuisjes, de golven, de paaltjes, het strand … de zee.

Op dag drie verkassen we naar Schouwen-Duiveland. Dankzij de N57 en 9 km Oosterscheldekering hoeven we niet om te rijden. Ook hier vinden we een mini-camping bij Burgh-Haamstede, een knooppunt op de 38 km lange Westerschouwenroute. Deze brengt ons langs een braderij en rommelmarkt in het kuststadje Renesse, maar ook langs het prachtige natuurgebied Vroongronden achter de duinen. Het gaat hier behoorlijk bergop en -af en ik ben maar wat blij met de drie versnellingen van de nieuwe fiets die het trouwens fantastisch doet.

Zeeland is een zalige plek om te fietsen en uit te waaien. Het is gezellig pauzeren bij de pannenkoekenhuisjes in de molens. De Peelander of Korenschoof laten zich smaken en het bolletje geitenkaas van de kaasboer maakt van het voorgerecht een feestje.

Op weg naar huis stoppen we nog even in Goes voor een bezoek aan het Historisch Museum De Bevelanden, een voormalig weeshuis en klooster. Buiten een handvol mensen op de terrasjes van de Grote Markt is dit stadje doods en verlaten op deze zondagmiddag, de ‘dag des Heeren’. Zelfs de bakkers zijn gesloten, typisch Nederland. Snel richting België, snel richting zondags pateeke. Het lijkt wel een exotische trofee.