Tibet

Piekmomenten

Tibet, Yamdrok Tso -

De monniken van het Ganden klooster geven het startschot voor onze wandeling op het Tibetaanse plateau – 60 km van Ganden naar Samye op 4 stapdagen. De yakhoeder op zijn katoenen gympies en de taaie yaks walsen moeiteloos door de ijle lucht en het ruwe terrein. Wij daarentegen moeten elke zoveel stappen met schreeuwende longen halte houden om naar adem te happen en het bonkende hart rust te gunnen. Het is allemaal net iets te steil, te stenig en te hoog. De vooropgestelde 4 tot 5 dagelijkse stapuren worden er al gauw 8. Uitgeteld vallen we ‘s avonds in een vriesvaktent, dankbaar om de welgekome warmte van het ganzenbedje. Vooral op dag twee, langs een steil sneeuwpad, moeten we de limieten van ons uithoudingsvermogen verkennen en reserves aanboren waarvan we niet eens wisten dat we ze hadden. Verkleumd, tandenknarsend maar lichtjes euforisch halen we de Shung Pass op 5250 meter. Vanaf nu gaat het alleen nog bergaf. Ja! En we leven nog. Dubbel ja!

Al onze aandacht gaat naar het luchhappen en voetsleuren zodat we niet merken dat het felle zonlicht ons tere blanke vel langzaam maar zeker verschroeit. Het is een zware tocht voor ons nicotinejagers en bierbrouwers, maar het panoramajuweel maakt alles goed. Op dag vier bereiken we Samye klooster en rollen we bebleind en tweedegraads verbrand in onze ouwe trouwe Toyota Landcruiser. James, to the border!

Langs het Yamdrok Tso meer gaat het naar Gyantse en Shigatse en de ontelbare beschermers, kwastparels en steengebeden. Zelfs een heidene wordt stil van zoveel godenpracht.

Aan het Everest Base Camp worden we dwerg en kietelen we de teentjes van de grootste reus op aarde. We hebben Tibet gezien en gevoeld. Met een rugzak vol herinneringen en zwarte markt Roepies steken we de Friendship Bridge over, klaar voor Kathmandu.

Adembenemend

Tibet, Lhasa -

Ik kijk vol verwachting uit naar een eerste glimps van Tibet. Het wolkenveld breekt open en mijn geduld wordt beloond met een postkaart uit het vliegtuigraampje Na een trapklim naar twee hoog staan we puffend in onze hotelkamer. Mijn lichaam begint te beseffen dat er iets niet klopt. Om de paar minuten happen de longen naar lucht. Het wordt licht in mijn hoofd en wankel in de benen. De mensmachine draait op een zuurstoftoevoer van 68% en dan kan je de band beter even stilleggen. Ik slaap, rust en doe alles in slow motion.

Het verplichte rondje Lhasa brengt ons naar de machtige Pottala. Ik zag nooit zoveel boeddha’s en beschermgoden in 1001 manifestaties met evenveel armen en ogen. Eens het winterpaleis van de dalai lama’s, nu een Chinees museum, het is een indrukwekkende en prachtige plek. Ook de Johkang tempel en het Sera klooster staan op het lijstje. Het ene oord al heiliger dan het andere voor de talloze diepgelovige Tibetaanse pelgrims. Van alle windstreken doen ze, getooid in kleurrijke klederdracht, te voet of per truck een pelgrimstocht langs de heilige huisjes van hun geloof.

De vlaggetjes wapperen, de molentjes draaien en ook langs de lippen van de prevelende pelgrims gaan de gebeden stilletjes de ether in. Hoop op een beter plekje in een volgend bestaan. Een beter plekje in dit bestaan lijkt de Tibetanen niet gegund. De grijze fantasieloze nieuwbouw en de job van de toekomst zijn het territorium van het leger, de overheid en de Han met doorgroeipotentieel. Daar wappert de rode vlag een heel ander lied.

Het Tibet Museum, de prachtige collectie ten spijt, trekt een vacuum in de geschiedenis die lijkt op te houden in 1951 met de Geweldloze Bevrijding van Tibet. De huidige, veertiende dalai lama is alom niet-tegenwoordig en de Chinese panchen lama een showcase voor de tolerantiepropaganda.

Hier zit ik dan op het dak van de wereld. Jammer dat de Chinese schoorsteen mijn zicht belemmert. Morgen verlaten we de stad en gaan we enkele weken per jeep en te voet – de rugzak op de yakrug – onze weg naar Kathmandu. Voorlopig dus, nogmaals, over & out.