Tibet

Dakwerkers

Tibet, Lhasa -

Het is vier jaar geleden en ik kan me niet meer alles herinneren, maar toch krijg ik al snel het gevoel dat er veel is veranderd hier in Lhasa. Meer reclamepanelen, nieuwbouw, toonzalen met gloednieuwe SUVs, hoogbouw en een nieuwe spoorweg langs een heuse ring road met op- en afritlussen. Tenzin vertelt me dat Lhasa de eerste Chinese stad was waar privé-autos waren toegelaten. Dat laat zich merken. Het is druk op de baan en alles doet denken aan een middelgrote moderne Chinese stad. Geen historisch karakter, veel schreeuwlelijke advertenties met hier en daar een monumentje of een parkje voor het zicht. Het hoogste gebouw in Tibet is een groenblauwe moderne wolkenkrabber in Lhasa, de politietoren.

Ik logeer in de Barkhorwijk, de oude Tibetaanse wijk rond de Jokhangtempel. Je zou het gek genoeg Tibettown moeten noemen, een laatste oase authenticiteit temidden het oprukkende Chinese stadslandschap. Het valt me direct op dat er op elke straathoek en op de daken rond Barkhor Square politie en militie de wacht houden. Tenzin laat me nog weten dat ik absoluut geen foto’s mag nemen van de mannen in het blauw of groen omdat hij anders in de problemen komt. Een gebaar met zijn vinger langs de keel zegt genoeg. Tenzin geeft me nog zijn adreskaartje, wenst me een prettige dag en dan ben ik vrij zolang ik in Lhasa blijf. Dat dacht ik tenminste.

Het wordt al snel duidelijk dat ik hier zonder gids niet veel kan doen. Het Sera- en Drepungklooster zijn off limit voor toeristen zonder begeleiding. Wat me rest is de Jokhangtempel, het gebedscircuit van Barkhor Street en de parkjes en pleinen rond de Pottala. Alle goed bewaakte plekken dus. Alles binnen bereik van de straatcamera’s. Ik draai de eerste avond enkele gebedsrondjes mee rond de Jokhang. Wat je hoort is een constant geschuur van karton op steen. Pelgrims laten zich op de grond zakken in gebed. De handen en knieën komen terecht op kartonnen flapjes die meeschuifelen rond de heilige tempel tot diep in de nacht. Ze vragen vergiffenis voor hun zonden. Het is me niet helemaal duidelijk welke zonde dat wel mag zijn. Gij zult niet onderdrukt worden? Overal rond me heen klinkt het zachte geprevel van “om mane pad me um”, de trillingen gaan de kosmos in, in de hoop dat op een dag het gebed wordt gehoord en de vrede neerdaalt op alle levende wezens.

Het was niet mijn bedoeling veel te gaan bezoeken in Lhasa, ik zou zo veel mogelijk naar het Dickey Weeshuis gaan, daar misschien zelfs logeren. Ook dat blijkt moeilijker dan voorzien. De mails van het weeshuis worden gelezen, de telefoongesprekken worden afgeluisterd. Ze hebben erg veel contact met buitenlanders die een bezoek brengen of het weeshuis sponsoren en dat valt niet in goede aarde. De overheid tracht het contact tussen buitenlanders en Tibetanen te beperken tot het absolute minimum of het verplichte verkooppraatje. ’s Avonds komt de politie kijken of er nog bezoek is achtergebleven. Ik kan er niet logeren. Er is een kamer voorzien voor overheidsbezoek, dat is verplicht. De nodige bezegelde documenten hangen ingekaderd, er pronkt een heus bureau, er wappert een rode vlag en Mao, Marx en Stalin kijken goedkeurend toe.

Ik ben in Lhasa op Vesak, de vijfde volle maan in de plaatselijke kalender. Op Vesak herdenkt men de geboorte, de verlichting en het sterven van de Boeddha. Het is een religieuze feestdag en de waakhonden staan op scherp. De politie draagt nu kogelvrije vesten en schilden, de militairen zijn gewapend. Barkhor Square wordt een parking voor brandweerwagens en relauto’s. Met hun aanwezigheid willen ze duidelijk maken dat een herhaling van de protesten of rellen van maart 2008 onmiddellijk in de kiem gesmoord zullen worden. Bij de Tibetanen zit de schrik en minachting er goed in. Er wordt veel gebeden door jong en oud tot diep in de nacht van de volle maan. Dat op zich lijkt al een protest.

Ook de weeskinderen wordt opgedragen hoe ze zich moeten gedragen op deze feestdag die er voor hen geen mag zijn. Het is schoolkinderen verboden om religieuze feestdagen te vieren. Bij de ouders, ouderen en pelgrims uit het platteland wordt het getolereerd, maar voor schoolkinderen uit Lhasa is het in principe verboden. Ama, de ‘moeder’ van het weeshuis, maakt me zonder al te veel wooren duidelijk dat ik die dag beter geen bezoek breng aan het project. De politie kwam vooraf nog even zeggen dat sport t-shirts met de nummers 314, 64 en 89 verboden zijn. Chinezen schrijven eerst de maand, dan de dag. Dus 14 maart, 4 juni en 1989 horen niet thuis in de garderobe. Doe zelf het huiswerk maar. Hint: Tankman.

Maar ook in de kloosters wordt bepaald wat mag en niet mag. Ook daar lopen de waakhonden over de daken, nu undercover of in monnikengewaad. Ze waken erover dat het programma wordt gevolgd – lees de separatist Dalai Lamai nummer veertien wordt doodgezwegen – en het contact met de buitenlanders wordt gemonitord. Voor de Chinese toeristen die nu ook in grote getale afzakken naar dit exotische minderheidsgebied geldt deze controle minder. Zij volgen de paraplu van de Chinese gids en krijgen de voorgekauwde propaganda ingelepeld – de Glorieuze Eenmaking van het Moederland, de Vredevolle Bevrijding, de Afschaffing van de Slavernij, noem het maar de Honderdjarige Rotte Eieren. Chinezen slikken kennelijk alles.

Maar ook eerlijk nu, vele Chinezen weten niet wat er hier gebeurt. Of zien alleen de kant van de economische vooruitgang. Ze brengen de Bling Bling Dynastie naar de verpauperde uithoek van het Moederland, zoiets. Vraag is maar of de Tibetanen daarop zaten te wachten. Het is nooit helemaal zwart/wit natuurlijk, maar naar mijn gevoel teveel blauw en groen om nog van Vredevol Bevrijd te mogen spreken. Doe mij dan maar nummer veertien, ook een Tenzin.

Namtso Lake

Tibet, Namtso Lake -

Een dikke tweehonderd kilometer buiten Lhasa ligt Namtso Lake. Ik krijg de kans om bij een groepje reizigers aan te sluiten en zo de jeepkosten te delen. We vertrekken op een zonnige dag, dat waren ze tot hier toe trouwens allemaal. Eerst gaat het richting Drepungklooster. Ooit de grootste kloostergemeenschap van Tibet met 10.000 monniken van de orde van de Geelmutsen, huisvest het klooster nu nog slechts een 400-tal geestelijken. Het heeft alles wat zo eigen is aan de Tibetaanse kloosters – 1000 boeddhas, beschermgoden, boterlampjes, gebedswielen en kleurrijke stenen. Maar ook iets wat vroeger niet zo eigen was aan deze plek, de Chinese veiligheidsmannetjes op het dak en de spion onder de monniken.

Richting meer rijden we een hele tijd langs de nieuwe spoorlijn, kennelijk de hoogste ter wereld. Jigme, de gids, zegt me dat die dertig procent toeristen naar de hoogvlakte brengt en zeventig procent werkloze Chinezen uit arme provincies. Die komen hier hun kans wagen op een baan en slagen er kennelijk sneller een aan de haak dan de Tibetanen zelf. Dat wordt niet echt in dank aanvaard. Begrijpelijk.

We nemen na vele bochten de pas op 4910 meter en het Namtsomeer geeft zich voor een eerste keer prijs. Het meer is zout. Een oude zee? Ik beklim de berg naast het meer. Heel af en toe, iets meer dan gewoonlijk, moet ik stoppen op zoek naar een grote hap zuurstof. Ik slikte deze reis preventief Diamox en heb veel minder last van de hoogteziektekwaaltjes dan de vorige keer op deze hoogte. Geen hoofdpijn, geen nare dromen. Fijn. Mijn klim wordt beloond met een prachtig uitzicht over het meer, een eerste ontmoeting met de typische yaks en een soort zonsondergang die er niet echt een is.

We slapen in een kamp van aluminum werfcabines. Vroeger werd hier gelogeerd in nomadententen, maar met de opkomst van het Chinese toerisme wilde men toch iets meer comfort aanbieden. Het resultaat is een opeenstapeling van karakterloze ijzeren koten, reclamepanelen voor winkels met een schaarste aan koopwaar en woekerprijzen voor een hard bed op deze exotische bestemming. Het is bij de jonge Chinezen in om hier rond te reizen. Een beetje aapje kijken bij de barbaarse minderheden. Zoiets.

Dag twee begin ik aan een kora rond een van de heilige bergen aan het meer. Het is bewolkter dan de vorige dag, dat wel, maar een sneeuwstorm dat zag ik er niet in. Ik heb nog ruim een uur te gaan wanneer de eerste hagelstenen me tegen de wangen kletsen. Dit is niet goed. Ik loop in mijn jeans, zonder regenjas, met stadsschoenen. De hagel neemt toe in kletsen en hoeveelheid. Een Tibetaanse man op de motorfiets verlaat langs het grindpad het kamp. Hij vertraagt en doet teken of ik een lift wil naar het kamp. Ik heb geluk vandaag. Met één hand loodst hij het ijzeren ros langs het grind, met de andere slaat hij de hagelstenen en sneeuw uit zijn gezicht. Met knarsende vrieshandjes en een welkom kopje zoete melkthee zit ik een klein half uurtje later rond de warme kachel bij zijn vrouw.

Wanneer ik terug bij het kamp aankom ligt er al een mooie laag wit. Het gaat hier snel. Chauffeurs speculeren over het al of niet nemen van de pas. We gooien een laatste sneeuwbal, nemen afscheid van het meer en vertrekken richting Lhasa. Onderweg moeten we stoppen voor een truck die de weg blokkeert, chauffeurs die van de pas komen en verslag uitbrengen en de obligate kiek aan de nu besneeuwde pas. Dat was gisteren even anders. Niets blijft wat het is. Neem nou de trein, of de mannetjes op de dak

Piekmomenten

Tibet, Yamdrok Tso -

De monniken van het Ganden klooster geven het startschot voor onze wandeling op het Tibetaanse plateau – 60 km van Ganden naar Samye op 4 stapdagen. De yakhoeder op zijn katoenen gympies en de taaie yaks walsen moeiteloos door de ijle lucht en het ruwe terrein. Wij daarentegen moeten elke zoveel stappen met schreeuwende longen halte houden om naar adem te happen en het bonkende hart rust te gunnen. Het is allemaal net iets te steil, te stenig en te hoog. De vooropgestelde 4 tot 5 dagelijkse stapuren worden er al gauw 8. Uitgeteld vallen we ‘s avonds in een vriesvaktent, dankbaar om de welgekome warmte van het ganzenbedje. Vooral op dag twee, langs een steil sneeuwpad, moeten we de limieten van ons uithoudingsvermogen verkennen en reserves aanboren waarvan we niet eens wisten dat we ze hadden. Verkleumd, tandenknarsend maar lichtjes euforisch halen we de Shung Pass op 5250 meter. Vanaf nu gaat het alleen nog bergaf. Ja! En we leven nog. Dubbel ja!

Al onze aandacht gaat naar het luchhappen en voetsleuren zodat we niet merken dat het felle zonlicht ons tere blanke vel langzaam maar zeker verschroeit. Het is een zware tocht voor ons nicotinejagers en bierbrouwers, maar het panoramajuweel maakt alles goed. Op dag vier bereiken we Samye klooster en rollen we bebleind en tweedegraads verbrand in onze ouwe trouwe Toyota Landcruiser. James, to the border!

Langs het Yamdrok Tso meer gaat het naar Gyantse en Shigatse en de ontelbare beschermers, kwastparels en steengebeden. Zelfs een heidene wordt stil van zoveel godenpracht.

Aan het Everest Base Camp worden we dwerg en kietelen we de teentjes van de grootste reus op aarde. We hebben Tibet gezien en gevoeld. Met een rugzak vol herinneringen en zwarte markt Roepies steken we de Friendship Bridge over, klaar voor Kathmandu.

Adembenemend

Tibet, Lhasa -

Ik kijk vol verwachting uit naar een eerste glimps van Tibet. Het wolkenveld breekt open en mijn geduld wordt beloond met een postkaart uit het vliegtuigraampje Na een trapklim naar twee hoog staan we puffend in onze hotelkamer. Mijn lichaam begint te beseffen dat er iets niet klopt. Om de paar minuten happen de longen naar lucht. Het wordt licht in mijn hoofd en wankel in de benen. De mensmachine draait op een zuurstoftoevoer van 68% en dan kan je de band beter even stilleggen. Ik slaap, rust en doe alles in slow motion.

Het verplichte rondje Lhasa brengt ons naar de machtige Pottala. Ik zag nooit zoveel boeddha’s en beschermgoden in 1001 manifestaties met evenveel armen en ogen. Eens het winterpaleis van de dalai lama’s, nu een Chinees museum, het is een indrukwekkende en prachtige plek. Ook de Johkang tempel en het Sera klooster staan op het lijstje. Het ene oord al heiliger dan het andere voor de talloze diepgelovige Tibetaanse pelgrims. Van alle windstreken doen ze, getooid in kleurrijke klederdracht, te voet of per truck een pelgrimstocht langs de heilige huisjes van hun geloof.

De vlaggetjes wapperen, de molentjes draaien en ook langs de lippen van de prevelende pelgrims gaan de gebeden stilletjes de ether in. Hoop op een beter plekje in een volgend bestaan. Een beter plekje in dit bestaan lijkt de Tibetanen niet gegund. De grijze fantasieloze nieuwbouw en de job van de toekomst zijn het territorium van het leger, de overheid en de Han met doorgroeipotentieel. Daar wappert de rode vlag een heel ander lied.

Het Tibet Museum, de prachtige collectie ten spijt, trekt een vacuum in de geschiedenis die lijkt op te houden in 1951 met de Geweldloze Bevrijding van Tibet. De huidige, veertiende dalai lama is alom niet-tegenwoordig en de Chinese panchen lama een showcase voor de tolerantiepropaganda.

Hier zit ik dan op het dak van de wereld. Jammer dat de Chinese schoorsteen mijn zicht belemmert. Morgen verlaten we de stad en gaan we enkele weken per jeep en te voet – de rugzak op de yakrug – onze weg naar Kathmandu. Voorlopig dus, nogmaals, over & out.