Ons bin blie

Nederland, Veere -

Onze slager in de straat was ook fietsenmaker. Van drie zieke fietsen maakte hij er één goede. Daar kochten mijn ouders voor een kleine honderd frank mijn kinderfietsjes. Later als student kocht ik tweedehandsfietsen bij de beschutte werkplaats aan de Kleine Markt of via De Koopjeskrant. Het is nu voor het eerst dat ik investeer in een gloednieuwe fiets. Het werd de stadsfiets Winner van Batavus. Het is een matzwarte stalen fiets met drie versnellingen in de naaf. Nog snel gekocht voor het lange weekend van Hemelvaart. We trekken vier dagen naar Zeeland, een perfecte plek voor het inrijden van een nieuwe Batavus en het smeren van een oude Gazelle (°1942).

In de VeKaBo-gids vinden we een mini-camping. Het zijn kleine campings op een veld naast de boerderij met zo’n 15 à 20 plaatsen, vaak met een haag eromheen, voor caravans of campers. Een schuur is meestal verbouwd tot sanitair blok. Het is kamperen bij de boer en erg in trek hier in Zeeland. We kiezen mini-camping Veldlust in Serooskerke op Walcheren, strategisch dicht bij Veere , Middelburg en Domburg. Molen De Jonge Johannes wordt de eindhalte van onze fietstochten. De Zeeuwen zijn een trots volkje. Overal wappert de Zeeuwse of Nederlandse vlag, te pas en te onpas. En er is de typische klederdracht als statement. Bij het zien van het Veerse Meer schiet het lied Het Veerse Gat van Jaap Fischer me te binnen. Het Veerse Gat werd gedicht in 1961 in het kader van de Deltawerken. Op enkele gevels in het stadje wordt een waterpeil met jaartal gemarkeerd. De herinnering aan de watersnood leeft voort. Lees verder…

Lëtzebuerg

Luxemburg, Luxemburg -

Ik kan me herinneren dat we vroeger langs Luxemburg naar Frankrijk reden met de kampeerwagen. Een vaste stop was het grensplaatsje Martelange. Aan de ene kant van de straat, in België, waren er slechts rijtjeshuizen, de andere kant, in Luxemburg, was een lange rij tankstations en drank- en tabakswinkels. Er werden geen of amper taksen betaald zodat iedereen hier voordelig een voorraad benzine, sterke drank en sigaretten kwam inslaan. Luxemburg is één van de rijkste landen van Europa. Het wemelt in de stad Luxemburg van de Europese instellingen en elke bank heeft hier wel een filiaal. Zelfs de Bank of China. Boven aan het ‘balkon van Europa’ vind je de Europese gerechtshoven met een prachtig uitzicht over de onderstad Grund. De straten lijken net gestofzuigd. Alles is netjes en op orde. Wordt hier wel geleefd? Camping Kockelscheuer is de enige camping bij de stad, toch nog zo’n 7 kilometer van het centrum. Er is wel een bushalte, maar de bussen rijden slechts om het half uur en stoppen er vroeg mee. Op zondag rijdt de bus pas ’s middags, maar gelukkig vinden we snel genoeg iemand bereid ons een lift te geven naar de stad. Onder de kazematten, de militaire verdedigingswerken, ligt de prachtige Vallée de la Pétrussse , een uitgestrekt park. De wijk Kirchberg is de thuishaven van vele Europese instellingen, maar ook the place to be voor een nieuwe tempel van moderne kunst , het Mudam, naast het spectaculaire gebouw van de Philharmonie Luxembourg. De gewaagde kapel van landgenoot Wim Delvoye valt op. Het gebouw is licht en mooi, een absolute aanrader.

Na twee dagen heb je alle pleintjes van Luxemburg wel tweemaal gezien en dan wordt het tijd voor een wandeling in de natuur. De uitgelezen plek is Klein-Zwitserland, in de buurt van Echternach, waar we de wegwijzers van de Mullerthal Trail volgen door nauwe kloven en langs grillige rotsen . Een charmant bruggetje met waterval maakt het idyllische plaatje compleet. Het bos is niet gestofzuigd, gelukkig maar.

Everzwijn op hoge hakjes

België, La Roche -

De winter smelt, de zon ontdooit, de camper komt van stal. Het is nog koud dus de lakenbak laden we vol donsslaapzakken, de kleerkast vol wol, fleece en regenjassen. Dit paasweekend brengen we door in La Roche, een klein, toeristisch stadje bij een bocht van de Ourthe in het Belgische Luxemburg. Ik was hier al eens eerder in het hartje van een zomer. De campings stonden toen bol van Nederlandse caravans, Westvlaamse wielertoeristen en een allegaartje van nordic walkers en oorlogsfanaten. Nu is het hier iets rustiger. Tenminste, voor een koud lang paasweekend. La Roche heeft veel te bieden aan een stadsmens zoals ik die – niet te lang en niet te ver – even uit de sleur kan stappen. De gemeente La Roche telt zo’n 4.000 inwoners. 94,22 % van het grondgebied is onbebouwd. Er zijn wel onwaarschijnlijk veel frietkoten en ijssalons. La Roche is dan ook helemaal ingesteld op het verwelkomen van hordes (zomer)toeristen. Maar het is nog lang geen zomer. Het laat de parasailers koud. Zij zweven ongestoord boven de vallei. De dappere lentezon doorbreekt de wolken en maakt van het terrasje een klein hemeltje op Aarde. Dan doet een Belg waar hij goed in is, Bourgondisch genieten.

La Roche heeft iets met WO II. Wie, waar en wanneer hier heeft gestreden en is gesneuveld laat ik in het midden, feit is dat met het Ardennenoffensief een stuk wereldgeschiedenis werd geschreven waar je in La Roche de sporen van terugvindt. Daar zorgt zeker het Musée de la Bataille des Ardennes voor. Op 1.500 vierkante meter en 3 verdiepingen ga je terug naar 1940-1945. Ook de tanks in het straatbeeld herinneren aan dit verleden. Cafeetjes zijn genoemd naar geallieerde helden, de Amerikaanse en Britse vlaggen wapperen in eerbetoon. Tof om te leren en te bezoeken, maar een stadsmens als ik gaat toch vooral voor die 94,22 % onbebouwd grondgebied.

Iets buiten het centrum, na een fikse klim door de bossen, vind je het Parc à Gibier wildpark. Het blijft natuurlijk een aangelegd park met hekken en wandelpaden, maar hier krijg je wel de kans om alle dieren uit de streek van heel dichtbij te observeren. Ik ben geen beestenfluisteraar of geoefend jager dus de kans dat ik die dieren tijdens een wandeling in de natuur  weg zou jagen alvorens ze te zien, is vrij groot. In Parc à Gibier geef ik mijn ogen de kost. Wat een prachtige schepsels! En ze hebben best een groot terrein om rond te hossen dus zielig is het niet. Niet voor een stadsmens als ik. Rundskop, Bambi, een everzwijn op hoge hakjes, een echte kalkoen (niet geplukt in plakjes in de koeling) en een oerkoe maken mijn dag. Ik word er vrolijk van en veertig jaar jonger.

Met pasen in La Roche is het nog behoorlijk koud. Niet echt met het tafeltje en stoeltjes voor de camper lekker ontbijten in de zon. Neen. Met het tafeltje in de camper op de bank bij de verwarming met je handen rond een warme mok. Maar goed, de wol en fleece stonden paraat. En de mooie avondzon vond de weg naar de terrasjes. En dan doet een Belg waar hij goed in is … Bourgondisch genieten!

De Aarde draait

Polen, Krakau -

Eén dag per week wordt in de Petrus en Pauluskerk hier in Krakau het mechanische bewijs geleverd dat de Aarde draait. Met een pendulum van 25 kg aan een touw van 46,5 meter wordt het experiment wat Foucault in 1851 voor het eerst in het Panthéon te Parijs presenteerde, voor een schare leergierigen overgedaan in dit huis van God. Beetje grappig daar het net de gelovigen waren, namelijk de Protestanten, die vonden dat de theorie van Copernicus in strijd was met de Bijbel. Copernicus leverde in de zestiende eeuw het wiskundige bewijs, en Foucault zo’n 300 jaar later het mechanische bewijs dat de Aarde roteert. De pendulum slingert eerst rechtlijnig en na een tijd rozetvormig, een resultaat van de middelpuntvliedende kracht opgewekt door de rotatie van de Aarde – de Corioliskracht. Hier in de Petrus en Pauluskerk maakt een laserstraal de bewegingen van de kogel zichtbaar, in het Panthéon in 1851 trok de slinger kleine streepjes door een laag zand op de vloer.

Lees verder…

Lisboa

Portugal, Lissabon -

Boca do Inferno, Cascais. Pradão dos Descobrimentos. Cascais. Mosteiro dos Jeronimos. Jardim Botânico. Museo Colleçáo Berardo. Gare do Oriente. tram eléctronico. Igreja do Carmo. Praça de Dom Pedro IV, ‘Rossio’. Elevador de Santa Justa. Praça do Commércio.

Berlijn ABC

Duitsland, Berlijn -

Ampelmann. Berlin. Checkpoint Charlie. Dome. East Side Gallery. Fernsehturm. Graffiti. Holocaustmonument. Intimes Kino. Jüdisches Museum. Kurfürstendamm.  Literaturhaus. Mauer. Neue Synagoge. Oberbaumbrücke.  Potsdamer Platz.  Quellweg. Reichstag. S-Bahn. Tierpark. Under den Linden. Vlooienmarkt. Wurst. XL. Yes! Zoologischer garten.

 

 

Mit Nolleke zum Eiffel

Duitsland, Wittlich -

Er zijn zo van die aanbiedingen die je gewoon niet links kan laten liggen. Drie voor de prijs van één bij chocola bijvoorbeeld. All-you-can-eat buffetten in Moskou, happy hour in Scandinavische pubs, of “Buy once, fly twice!” voor vluchten naar Ulaanbaatar. Niet dat ik die laatste ooit tegenkwam. Die verzin ik in mijn ideale wereld. De aanbieding waar ik het nu over wil hebben betreft een reisje iets dichter bij huis: drie overnachtingen, drie ontbijten, drie drie-gangen diners, toegang tot binnenzwembad met sauna en stoombad in een viersterrenhotel in een dorpje in de Eiffel voor de prijs van 119 euromarken. Nou, waar wacht ik nog op? Op instructies van Nolleke.

Nolleke is onze nieuwe passagier. Zij bepaalt de optimale route, leest de kaart, maakt contact met bovenaardse zendpanelen en… herberekent, herberekent, herberekent onze positie op de aardbol. En dit allemaal in een opgesmukt, drooggezogen Algemeen Beschaafd Hollands met harde g. Heel even maar. Kees vindt al gauw de taalinstellingen van het GPS apparatus en we schakelen zonder schroom over op de zacht g van de Vlaamsche deerne. Nolleke has just left the building.

We negeren drie “keer nu terug” bevelen van de GPS om te gaan tanken en voegen dan in op de Ring richting stoombad. Zonder moderne technologie zou deze rit ook wel lukken, kennelijk moeten we alleen de nummers E313 en E42 volgen tot bijna aan de rode loper van de viersterrendeur. Maar goed, het sterkt je vertrouwen te horen “rijd nu 124 kilometer rechtdoor”. Al mis je een stukje couleur locale die hoort bij het vragen van de weg aan een inboorling die in tongen spreekt. We laten ons leiden, voegen op gestelde afstanden in, nemen op vastgelegde coördinaten de uitrit en bereiken zo onze bestemming: Wittlich, een dorpje in de Eiffel vlakbij de Moezel, 271 km weg van A.

Ik inspecteer met een kritische blik de kamer en stoot al gauw op de afwezigheid van een ligbad, een frigo, een kluisje en een waterkoker met thee en koffie. Er is wel een klein balkonnetje met zicht op… nou ja, de rotondes en supermarkten van Wittlich. Niet getreurd, er is het binnenzwembad met sauna en stoombad en we hebben een reisgidsje met wel dertig dagtochten op zak. We kiezen voor een wandeling van tien kilometer door het natuurgebied Dortebachtal bij Klotten, zo’n uurtje rijden van Wittlich. Het busje trotseert in tweede versnelling aan twintig per uur de vele haarspeldbochten en de remmen zijn druk in de weer bij afdalingen van zestien graden. We bereiken zonder kleerscheuren het vertrekpunt van de wandeling. De tocht brengt ons langs een dappere poging tot korenvelden en bossen op een uitgestrekte hoogvlakte. Geel, groen en blauw zijn de kleuren van de dag. Drie uur en een stel verzuurde kuitspieren later rijden we langs de kronkelende oever van de Moezel naar Bernkastel-Kues voor het verplichte wijnshoppen. We gaan voor de halbtrocken en spätlese, de half-droge en rijpere variëteit van de witte streekwijn. Kees spoelt de keel met een Bitburger – Bitte ein bit! – en dan gaat het richting Wittlich voor een welverdiende duik in het zwembad, de hitte van de sauna en de luie ligstoel met een boekje.

Op zondag kiezen we voor een wandeling langs de vulkaankraters bij Schalkenmehren. De tocht brengt ons langs kratermeren, groene heuvels en Nordic walkers. Onze ongeoefende spieren zeuren zachtjes. Bij het Schalkenmehrener Maare luidt de klok van een kapelletje. De zestigplussers van de naburige dorpen schuifelen gedwee ten dienst. Beelden uit Das weisse Band doemen op. De Eiffelatheïst is hier ver zoek. En God straft onmiddellijk: donkere wolken brengen een fikse regenbui onze kant op. Kort maar krachtig. Een half uurtje later zitten we op een zonnig terrasje met een genadige Bitburger.

We sluiten het Eiffelavontuur af met een volgeladen supermarktkarretje. Braadworsten en nog meer Riesling vergezellen ons terug naar A. De kuitspieren zijn moe maar voldaan.

Dakwerkers

Tibet, Lhasa -

Het is vier jaar geleden en ik kan me niet meer alles herinneren, maar toch krijg ik al snel het gevoel dat er veel is veranderd hier in Lhasa. Meer reclamepanelen, nieuwbouw, toonzalen met gloednieuwe SUVs, hoogbouw en een nieuwe spoorweg langs een heuse ring road met op- en afritlussen. Tenzin vertelt me dat Lhasa de eerste Chinese stad was waar privé-autos waren toegelaten. Dat laat zich merken. Het is druk op de baan en alles doet denken aan een middelgrote moderne Chinese stad. Geen historisch karakter, veel schreeuwlelijke advertenties met hier en daar een monumentje of een parkje voor het zicht. Het hoogste gebouw in Tibet is een groenblauwe moderne wolkenkrabber in Lhasa, de politietoren.

Ik logeer in de Barkhorwijk, de oude Tibetaanse wijk rond de Jokhangtempel. Je zou het gek genoeg Tibettown moeten noemen, een laatste oase authenticiteit temidden het oprukkende Chinese stadslandschap. Het valt me direct op dat er op elke straathoek en op de daken rond Barkhor Square politie en militie de wacht houden. Tenzin laat me nog weten dat ik absoluut geen foto’s mag nemen van de mannen in het blauw of groen omdat hij anders in de problemen komt. Een gebaar met zijn vinger langs de keel zegt genoeg. Tenzin geeft me nog zijn adreskaartje, wenst me een prettige dag en dan ben ik vrij zolang ik in Lhasa blijf. Dat dacht ik tenminste.

Het wordt al snel duidelijk dat ik hier zonder gids niet veel kan doen. Het Sera- en Drepungklooster zijn off limit voor toeristen zonder begeleiding. Wat me rest is de Jokhangtempel, het gebedscircuit van Barkhor Street en de parkjes en pleinen rond de Pottala. Alle goed bewaakte plekken dus. Alles binnen bereik van de straatcamera’s. Ik draai de eerste avond enkele gebedsrondjes mee rond de Jokhang. Wat je hoort is een constant geschuur van karton op steen. Pelgrims laten zich op de grond zakken in gebed. De handen en knieën komen terecht op kartonnen flapjes die meeschuifelen rond de heilige tempel tot diep in de nacht. Ze vragen vergiffenis voor hun zonden. Het is me niet helemaal duidelijk welke zonde dat wel mag zijn. Gij zult niet onderdrukt worden? Overal rond me heen klinkt het zachte geprevel van “om mane pad me um”, de trillingen gaan de kosmos in, in de hoop dat op een dag het gebed wordt gehoord en de vrede neerdaalt op alle levende wezens.

Het was niet mijn bedoeling veel te gaan bezoeken in Lhasa, ik zou zo veel mogelijk naar het Dickey Weeshuis gaan, daar misschien zelfs logeren. Ook dat blijkt moeilijker dan voorzien. De mails van het weeshuis worden gelezen, de telefoongesprekken worden afgeluisterd. Ze hebben erg veel contact met buitenlanders die een bezoek brengen of het weeshuis sponsoren en dat valt niet in goede aarde. De overheid tracht het contact tussen buitenlanders en Tibetanen te beperken tot het absolute minimum of het verplichte verkooppraatje. ’s Avonds komt de politie kijken of er nog bezoek is achtergebleven. Ik kan er niet logeren. Er is een kamer voorzien voor overheidsbezoek, dat is verplicht. De nodige bezegelde documenten hangen ingekaderd, er pronkt een heus bureau, er wappert een rode vlag en Mao, Marx en Stalin kijken goedkeurend toe.

Ik ben in Lhasa op Vesak, de vijfde volle maan in de plaatselijke kalender. Op Vesak herdenkt men de geboorte, de verlichting en het sterven van de Boeddha. Het is een religieuze feestdag en de waakhonden staan op scherp. De politie draagt nu kogelvrije vesten en schilden, de militairen zijn gewapend. Barkhor Square wordt een parking voor brandweerwagens en relauto’s. Met hun aanwezigheid willen ze duidelijk maken dat een herhaling van de protesten of rellen van maart 2008 onmiddellijk in de kiem gesmoord zullen worden. Bij de Tibetanen zit de schrik en minachting er goed in. Er wordt veel gebeden door jong en oud tot diep in de nacht van de volle maan. Dat op zich lijkt al een protest.

Ook de weeskinderen wordt opgedragen hoe ze zich moeten gedragen op deze feestdag die er voor hen geen mag zijn. Het is schoolkinderen verboden om religieuze feestdagen te vieren. Bij de ouders, ouderen en pelgrims uit het platteland wordt het getolereerd, maar voor schoolkinderen uit Lhasa is het in principe verboden. Ama, de ‘moeder’ van het weeshuis, maakt me zonder al te veel wooren duidelijk dat ik die dag beter geen bezoek breng aan het project. De politie kwam vooraf nog even zeggen dat sport t-shirts met de nummers 314, 64 en 89 verboden zijn. Chinezen schrijven eerst de maand, dan de dag. Dus 14 maart, 4 juni en 1989 horen niet thuis in de garderobe. Doe zelf het huiswerk maar. Hint: Tankman.

Maar ook in de kloosters wordt bepaald wat mag en niet mag. Ook daar lopen de waakhonden over de daken, nu undercover of in monnikengewaad. Ze waken erover dat het programma wordt gevolgd – lees de separatist Dalai Lamai nummer veertien wordt doodgezwegen – en het contact met de buitenlanders wordt gemonitord. Voor de Chinese toeristen die nu ook in grote getale afzakken naar dit exotische minderheidsgebied geldt deze controle minder. Zij volgen de paraplu van de Chinese gids en krijgen de voorgekauwde propaganda ingelepeld – de Glorieuze Eenmaking van het Moederland, de Vredevolle Bevrijding, de Afschaffing van de Slavernij, noem het maar de Honderdjarige Rotte Eieren. Chinezen slikken kennelijk alles.

Maar ook eerlijk nu, vele Chinezen weten niet wat er hier gebeurt. Of zien alleen de kant van de economische vooruitgang. Ze brengen de Bling Bling Dynastie naar de verpauperde uithoek van het Moederland, zoiets. Vraag is maar of de Tibetanen daarop zaten te wachten. Het is nooit helemaal zwart/wit natuurlijk, maar naar mijn gevoel teveel blauw en groen om nog van Vredevol Bevrijd te mogen spreken. Doe mij dan maar nummer veertien, ook een Tenzin.

Namtso Lake

Tibet, Namtso Lake -

Een dikke tweehonderd kilometer buiten Lhasa ligt Namtso Lake. Ik krijg de kans om bij een groepje reizigers aan te sluiten en zo de jeepkosten te delen. We vertrekken op een zonnige dag, dat waren ze tot hier toe trouwens allemaal. Eerst gaat het richting Drepungklooster. Ooit de grootste kloostergemeenschap van Tibet met 10.000 monniken van de orde van de Geelmutsen, huisvest het klooster nu nog slechts een 400-tal geestelijken. Het heeft alles wat zo eigen is aan de Tibetaanse kloosters – 1000 boeddhas, beschermgoden, boterlampjes, gebedswielen en kleurrijke stenen. Maar ook iets wat vroeger niet zo eigen was aan deze plek, de Chinese veiligheidsmannetjes op het dak en de spion onder de monniken.

Richting meer rijden we een hele tijd langs de nieuwe spoorlijn, kennelijk de hoogste ter wereld. Jigme, de gids, zegt me dat die dertig procent toeristen naar de hoogvlakte brengt en zeventig procent werkloze Chinezen uit arme provincies. Die komen hier hun kans wagen op een baan en slagen er kennelijk sneller een aan de haak dan de Tibetanen zelf. Dat wordt niet echt in dank aanvaard. Begrijpelijk.

We nemen na vele bochten de pas op 4910 meter en het Namtsomeer geeft zich voor een eerste keer prijs. Het meer is zout. Een oude zee? Ik beklim de berg naast het meer. Heel af en toe, iets meer dan gewoonlijk, moet ik stoppen op zoek naar een grote hap zuurstof. Ik slikte deze reis preventief Diamox en heb veel minder last van de hoogteziektekwaaltjes dan de vorige keer op deze hoogte. Geen hoofdpijn, geen nare dromen. Fijn. Mijn klim wordt beloond met een prachtig uitzicht over het meer, een eerste ontmoeting met de typische yaks en een soort zonsondergang die er niet echt een is.

We slapen in een kamp van aluminum werfcabines. Vroeger werd hier gelogeerd in nomadententen, maar met de opkomst van het Chinese toerisme wilde men toch iets meer comfort aanbieden. Het resultaat is een opeenstapeling van karakterloze ijzeren koten, reclamepanelen voor winkels met een schaarste aan koopwaar en woekerprijzen voor een hard bed op deze exotische bestemming. Het is bij de jonge Chinezen in om hier rond te reizen. Een beetje aapje kijken bij de barbaarse minderheden. Zoiets.

Dag twee begin ik aan een kora rond een van de heilige bergen aan het meer. Het is bewolkter dan de vorige dag, dat wel, maar een sneeuwstorm dat zag ik er niet in. Ik heb nog ruim een uur te gaan wanneer de eerste hagelstenen me tegen de wangen kletsen. Dit is niet goed. Ik loop in mijn jeans, zonder regenjas, met stadsschoenen. De hagel neemt toe in kletsen en hoeveelheid. Een Tibetaanse man op de motorfiets verlaat langs het grindpad het kamp. Hij vertraagt en doet teken of ik een lift wil naar het kamp. Ik heb geluk vandaag. Met één hand loodst hij het ijzeren ros langs het grind, met de andere slaat hij de hagelstenen en sneeuw uit zijn gezicht. Met knarsende vrieshandjes en een welkom kopje zoete melkthee zit ik een klein half uurtje later rond de warme kachel bij zijn vrouw.

Wanneer ik terug bij het kamp aankom ligt er al een mooie laag wit. Het gaat hier snel. Chauffeurs speculeren over het al of niet nemen van de pas. We gooien een laatste sneeuwbal, nemen afscheid van het meer en vertrekken richting Lhasa. Onderweg moeten we stoppen voor een truck die de weg blokkeert, chauffeurs die van de pas komen en verslag uitbrengen en de obligate kiek aan de nu besneeuwde pas. Dat was gisteren even anders. Niets blijft wat het is. Neem nou de trein, of de mannetjes op de dak

Bokaal

China, Beijing -

De bar annex restaurant annex gratis surfstek in het Candy Inn in een hutong in Beijing heeft iets van een aquarium. We zitten hier met z’n allen rondjes te draaien en weten dat er buiten deze kom een hele wereld te ontdekken valt en toch is dit makkelijker. Dezelfde plantjes – pizza, burger en dumplings – hetzelfde kasteeltje – onze veilige kamer met tv en slot. Een allegaartje van exotische visjes verzamelt hier na de obligate dagexcursie in de bloedhete smog of komt hier uitkateren na een nachtje Beijing clubbing. Ik heb dit vaker gezien – geef toe, ik heb wat globekilometers onder de zolen. Reizigers aller landen verenigen zich…net niet.

De lingo, het t-shirtje met exotisch bierlogo, het stoere verhaal van een maar net geslaagde paspoortcontrole, het regelen van een vlucht naar morgen en – nu ook – het Facebooken met het thuisfront zijn kennelijk het hedendaagse uitstalraam van je wanderlust. Heel af en toe ontmoet ik de zonderling – vergeef hem zijn reisexclusieve baardgroei – die me vertelt hoe hij per fiets de hele stad doorkruiste en zo niet-gids bestemmingen bereikte. Omdat ze nooit een bestemming waren. Heel af en toe ontmoet ik de avonturier die graag luistert – en echt luistert, notities inclusief – naar mijn tips en ervaringen over Tibet. Verder zijn het vooral twintigers en prille dertigers die – oh wee, we hebben geen budget (hoe durf je dat hier te zeggen?) – zichzelf elke dag heruitvinden. Totdaar het kortetermijngeheugen van de goudvis. Verder gaat deze vergelijking met het aquarium niet op.

In tegenstelling tot de goudvis slagen wij mensen erin om de spiegel te doorbreken en een nieuwe weg in te slaan. Maar dan moet je voorbij het “waar was jij gisteren?” en “waar ga jij morgen naartoe?” Dan moet je wegzakken in het hier en nu. En zelfs dat niet. Gewoon zijn, met de nadruk op gewoon.

Word ik te cynisch voor hype guesthouses? Of word ik straks gewoon veertig? Ik kijk ernaar uit. De bokaal wordt er alleen maar groter op.