China - Wuyishan

Wuyishan

China, Wuyishan -

We stappen het luchthaventje uit en de jacht is geopend. Een vijftal taxichauffeurs komt zwaaien met brochures van hotels, alleen de plaatjes zijn in het Engels. Ze willen ons allemaal meenemen en kunnen zo waarschijnlijk een of andere commissie opstrijken. Ik had uit de geleende oude gids een paar adresjes van budgetbedden opgeschreven maar die hadden geen van alle een online reservatiesysteem. Ik dacht dat we er ter plekke wel eentje zouden uitkiezen. Zo werkt dat dus niet. Wanneer ik de naam van het dorpje Wuyigong vernoem krijg ik in gebarentaal de boodschap dat het gesloten is. Wat, het hele dorp gesloten?! Ik noem de naam van een van de guesthouses en dat zou dan alleen maar een restaurant zijn. Maar dat ligt dan wel in Wuyigong, wat dan plots weer open zou zijn. Het is enorm verwarrend allemaal en vooral frustrerend. Je weet dat zij jou naar het hotel van hun keuze willen brengen en dat is op zich ook prima, alleen kan je niet door de taalbarriere heen om een prijs af te spreken of een adres te weten te komen. Gewone cijfertjes of het universele KM voor kilometer op een papiertje doet grote ogen opentrekken. Wat zouden wij toch kunnen bedoelen?? Ze spelen het spel zo goed, de haviken met de eeuwige glimlach. Uiteindelijk neemt een taxivrouwtje ons op sleeptouw. Die is snugger en belt gelijk iemand op die een beetje Engels spreekt. ‘Mijn tante heeft een hotel het kost slechts 300 RMB’… blablabla. Je weet dat je genaaid wordt, maar er is niet echt een alternatief. Je hebt geen idee hoever je verwijderd bent van alles, of zelfs waar je eigenlijk bent. In het hotel spreken ze ook geen woord Engels, maar het is uiteindelijk wel een prima kamer. ‘s Ochtends staat ons taxivrouwtje al in de lobby. Die werd misschien wel verwittigd wanneer we wakker waren. Ik wijs op een Chinees mapje naar wat volgens mij de hoofdingang van het natuurpark is, maar daar wil ze duidelijk niet heen. Daar kan ze aan ons niet veel verdienen. Wat zij in gedachten heeft is ons een hele dag rondrijden naar plekken in het natuurgebied en ons naar restaurants brengen waar zij in ruil voor de vangst gratis mag eten. En zo gebeurt het ook. Nog enkele uren lopen we een beetje te grommen, maar daarna geven we ons over. Het wordt al snel duidelijk dat we plekken zien waar we anders helemaal niet zouden geraken. Er rijden geen bussen, een fiets kan je niet huren en liften is een beetje moeilijk als je zelf niet eens weet waar je bent en mijn Chinees amper volstaat om ‘hallo’, ‘dank u’, ‘ik woon in Antwerpen’ en ‘toilet’ te zeggen. Veel mensen verplaatsen zich hier met brommertjes en die hebben meestal geen plaats voor een passagier.Het Wuyishan natuurgebied is een prachtige streek. Hier kom je om in een bamboebootje te varen op de bochtige rivier die overschaduwd wordt door reusachtige rotsen met poetische namen. Een rots springt iets meer in het oog dan het omringende schoon en die rots vind je ook terug op alle producten uit deze streek. Een van die producten is de thee, ik denk de oolong thee. Overal in het stadje zie je vrouwen met grote, platte ronde bamboemanden gevuld met gedroogde theebladeren. Heel snel en behendig sorteren ze de blaadjes en verwijderen ze de takjes.

Het taxivrouwtje brengt ons naar wandelpaden waar we langs een trappenparcours koelte vinden onder de bomen en in de nevel van de watervallen die nog meer opgesierd worden door een regenboog hier en daar. Heel af en toe kruisen we een andere toerist, voor de rest is dit stukje land erg verlaten. Wanneer we bij het aanmeren van het bamboebootje in het meest bezochte stuk van het park terechtkomen, merk je al snel waarom de watervalletjes niet zo populair zijn. Hier rijden geen treintjes, hier zijn geen winkeltjes, hier is helemaal niets zou de Chinese toerist zeggen. Zij hebben kennelijk een hele andere manier van toerisme. Een gebouw wat een of andere historische betekenis heeft of een standbeeld van een of andere partijpiet wordt door iedereen gefotografeerd, een panoramafoto van het landschap op zich is kennelijk niet zo belangrijk. Waar ik gewoon kan genieten van het kijken naar een boom, zullen de Chinese toeristen eerder vol bewondering kijken naar het bankje onder de boom waar ooit een of andere bekende Chinees heeft gezeten. Het is een beetje bizar, een mij onbekende vaderlandsliefde. Ook wij zijn kennelijk een hele bezienswaardigheid. Ik denk dat ik tijdens de drie dagen dat we hier hebben rondgehost misschien vijf westerlingen heb gezien. Vooral jonge mensen vinden het heel bijzonder om met ons op de foto te kunnen. Toen we aan de bootjes aankwamen stormde een meisje naar ons toen. ‘Bij ons, bij ons, bij ons!’ Ze kon haar kirrende geluk niet op dat we met haar groepje op de boot zouden zitten. De vingertjes in de V, het universele handgebaar voor Vrede (of was het Victory?), voor elke foto met ons. Jong China wilt maar al te graag duidelijk maken dat het vrede (of was het overwinning?) wilt. China is open en de wereld is welkom. Vrees niet, wij komen in vrede. Ik besef hoe vreselijk zij de westerse kritiek rond de Tibetaanse rellen en de boycotdreigingen moeten gevonden hebben. Kritiek en terechtwijzing vinden ze hier heel erg. Gezichtsverlies moet kost wat kost vermeden worden. Het taxivrouwtje brengt ons, na een lunch in een restaurant naar haar keuze, naar nog een ander stukje park. Even ben ik een vogel wanneer ik, de vleugels gespreid, kan zweven over de groene vallei onder mij. De adrenaline gaat helemaal door het rooie wanneer we gaan bengelen aan een elastiek.

Ondertussen proberen we ‘s avonds in het dorpje vruchteloos een intercafe te vinden. Het rolluik naar de ‘wangba’ is half gesloten. Er wordt teken gedaan dat het niet kan. Ik denk eerst nog dat de ‘laowai’ niet mogen internetten, maar na een tijdje wordt het duidelijk dat er iets anders aan de hand is: China is drie dagen in nationale rouw. De vlaggen hangen halfstok, nieuwslezers en bestendige deputaties kleden zich in het zwart, er worden geen films of soaps of reclames getoond op de zenders. Overal in het land worden op pleinen harten gevormd met brandende kaarsjes. Met behulp van gigantische tv-schermen worden doorheen het land de rampbeelden en het donatielied in het collectieve geheugen gegrift. De ceremonies rond de olympische vlamtournee beginnen steeds met een minuut stilte, veel festiviteiten worden afgelast. Het moet allemaal wat soberder uit respect voor de vele slachtoffers van de aardbeving in Wenchuan. Het internetcafe is daarom ook gesloten. De ‘wangba’ is namelijk niet zozeer een plek om informatie op te zoeken of om een mailtje te sturen, het is een tempel van avatars, schietspelletjes en giechelende chatrooms. Wanneer we na lang zoeken een pc vinden, kunnen we een vlucht en bed regelen. Hoe mooi het hier ook is eens je geraakt waar je wil zijn – en daar een dag taxirijden voor moet betalen – het lijkt me toch erg moeilijk om nog dieper het platteland in te gaan zonder gids (in papier of levende lijve). Niemand begrijpt Engels en voor mij is het allemaal Chinees. Het platteland gaat vanaf eind mei nog voldoende aan bod komen in onze begeleide reis door Yunnan en Guangxi. We trekken terug naar de stad, en niet zomaar een stad: het mondaine, exotische en tot de verbeelding sprekende Sjanghai. De kaarsjes van de laatste wake zijn uitgeblazen, let the party begin…